Samen met zijn verloofde Lia was Herman zaterdag op visitie bij zijn moeder aan de Renbaanstraat 45 in Enschede, op ongeveer 75 meter afstand van vuurwerkfabriek SE Fireworks. De drie kwamen net terug van de crematie van Lia's vader, in Haarlem. Daar woont het paar en werkt Herman als hoofdagent.
"Rond een uur of drie hoorden we ineens een flinke explosie", vertelt Van Schaik in een achtertuin bij kennissen in Enschede. "We zaten met z'n vijven in de tuin. Moeder, mijn 17-jarige broertje Sipko-Jan, mijn 23-jarige zwager Arjan, Lia en ik. Met z'n allen zijn we bij de brand gaan kijken. We maakten er geintjes over."
Na een paar minuten keerden de vijf weer terug naar de tuin. "Ik wilde niet te lang bij de brand gaan kijken", zegt Van Schaik. "Terwijl we wat dronken, klonk er steeds meer gefluit van vuurwerk. Daarom zijn we de kamer ingegaan. De deuren hielden we op een kier, op die manier knallen de ruiten minder snel. De vuurpijlen vlogen onze tuin in. Toen ik in de kamer naar buiten keek, zag ik twee politiemotoren aan komen rijden. Ze bleven op ongeveer 75 meter afstand van de fabriek staan. De ene agent, die vlak bij ons huis stond, had zijn helm op. Hij heeft waarschijnlijk gecommuniceerd met de meldkamer. Ik vroeg me af waarom de politie het gebied niet met een lintje afzette. Het publiek stond zo'n beetje op de stoep van het vuurwerkbedrijf."
Reus
Onder het aanzwellende gefluit van vuurwerk vluchtten Henk en de anderen de gang in. Toen klonk de tweede explosie. Henk: "Knal twee was echt een gigantische dreun. Het was heel angstig. De tafels waaiden door de kamer. De voordeur lag eruit. De wc-muur kwam naar beneden. De garagemuur was weggeslagen, we konden zo de tuin in kijken. Onze rode Volkswagen Polo, die we een paar weken geleden hadden gekocht, was total loss.
Knal drie, een paar seconden later, was allesvernietigend. We hadden geen vijf seconden later moeten zijn. De voorgevel van de kamer werd naar binnen geblazen. Wat een puin, onvoorstelbaar. Overal lag glas. Boven ons hing een stuk beton. Het leek alsof een reus, die honderd keer groter is dan jijzelf, tegen het huis stond te schoppen. Het huis waar ik ben opgegroeid. Moeder was totaal verdwaasd. Ze stond er als een zombi bij. Ik ben blij dat we er waren, anders had ze het misschien niet gered."
Baby
"We zijn naar buiten gevlogen. Ik heb geschreeuwd: "Rennen! Die kant op! Weg van het vuur!" Dan zeg je niet: "Ga alsjeblieft rennen." Nee. Dan gil je. Ik zag de rechterburen met hun twee kinderen. De man met een kind en de vrouw met een kind. De vrouw liep op blote voeten door het glas. Ik heb haar baby op m'n arm genomen. Met z'n allen zijn we weggerend, naar een veilige straat.
Dat kind huilde niet. Het was stil, zei niks. Liep ik daar met dat propje op mijn arm. Ik heb een paar keer achterom gekeken. Al dat vuurwerk. Die rook. Die ogen als schoteltjes, die niet specifiek ergens naar kijken, die overlevingsdrang, die totale paniek. Die bebloede gezichten. Dat vergeet je niet meer. Ik kan me nu voorstellen wat mensen in de oorlog moeten hebben meegemaakt."
Toen Herman ongeveer honderd meter verderop in de betrekkelijk veilige straat arriveerde en de baby had afgegeven aan de moeder, stuitte hij op een van de honderden gewonden. Een bloedende man. De agent bedacht zich niet, maar ging het rampgebied weer in, naar zijn auto, waar een verbandtrommel lag. Te midden van de chaos slaagde hij erin de trommel te pakken te krijgen.
Verdwaasd
Nadat hij de verbanddoos in het veilige gebied had afgegeven ("Ik hoefde daar niet te blijven, iedereen kan een pleister plakken"), keerde hij voor de tweede keer terug in het rokende rampgebied. Samen met zijn zwager Arjan ging hij op zoek naar de bejaarde buurvrouw Bosman. "De deur van haar huis kon niet meer open. Via een raam ben ik naarbinnen geklommen. En daar stond mevrouw Bosman. Midden in de kamer. Totaal verdwaasd.
"Hé, Herman", zei ze. "Ik moet mijn geld meenemen. Anders wordt het geplunderd." Ik schreeuwde: "Daar zorgt de politie wel voor! We moeten weg!" Raar is dat: je gaat in zo'n kamer een gesprek aan, terwijl het aan alle kanten dreunt en knalt.
De telefoon ging. Het was een kleindochter van mevrouw Bosman. Ik pakte op. Ze vroeg waar haar oma was. "Ik zei: We gaan nu weg." Ik legde de hoorn erop en toen ging de telefoon opnieuw. Ik heb hem niet opgepakt, ik ging ervan uit dat de familie nu wist dat mevrouw Bosman werd geholpen. We zijn door het glas gelopen, de deur door die ik had opengetrapt, een hekje over, naar de veilige straat."
Stil
Toen Herman zijn buurvrouw in veilige handen had overgedragen, ging hij voor de derde maal de rokende puinhopen in. Weer zag hij taferelen die in z'n geheugen gegrift staan. "Over de straat liep een dikke man. Hij schommelde, leek het wel. Hij was totaal in de war. Hij murmelde wat. Even verderop zag ik een andere, bebloede man staan. Ik heb ze hand in hand naar de Deurningerstraat, een veilig gebied, gestuurd.
Ineens zag ik een man hard de dikke rook in lopen. Hij was volgens mij gericht naar iemand op zoek. Weg was-ie. Ik zag hem in de dikke zwarte rook verdwijnen, zo met z'n rug naar me toe. Ik weet niet wat er van hem geworden is. Ik ben hem niet achterna gegaan. Ik wist: Je moet nooit in dikke rook gaan lopen. Dan zie je niks meer. Ik heb in de verwoeste huizen geschreeuwd of er nog mensen waren. Ik hoorde niks.
Het werd stil. Heel stil. Vreemd is dat. Je hoort niks, behalve het knapperen van de vlammen. Ik dacht: Ik moet terug naar mijn familie en mijn verloofde. Ze hebben me nodig. Ik wilde nog voor de vierde maal teruggaan, maar dat wilde mijn vriendin beslist niet."
Janken
"Ik heb in mijn werk wel vaker schokkende dingen meegemaakt. Kinderen die betrokken zijn bij een ongeval. Iemand die zichzelf voor de trein gooit, verkeersdoden die uitgezaagd moeten worden, vechtpartijen. Op Schiphol, toen ik nog bij de marechaussee zat, kwamen een collega en ik in een grote knokpartij terecht. We werden omringd door een groep Mekkagangers die herrie maakten over een betaalde parkeerplaats. Daar sta je dan, met al die mannen om je heen. M'n collega lag onderop in een vechtpartij. Het is allemaal nog goed afgelopen.
Die ramp in Enschede is vele malen erger. Als politieman ben je gewend om in crisissituaties meteen aan te pakken. Hup, grijp die portofoon en regel wat. Maar nu was er haast geen beginnen aan. De chaos was zo groot. Op straat zag ik een agent lopen. Compleet apathisch. Hij was ingestort. Hij keek me aan, maar hij keek me ook niet aan. Ik heb hem naar de veilige straat gestuurd. Daar zat hij te janken. Een andere, gewonde agent ging door."
Ingestort
"In het veilige gebied zagen we een vrouw van een jaar of zeventig in een Volkswagen Golf zitten. Die auto was total loss. Zij had ogen als schoteltjes. De voorruit van de auto lag op de stoel. De man stond bloedend achter de auto. Het waren goeie kennissen van de kerk. Hij had een enorme jaap in z'n arm, er was een groot doek om gewikkeld. Ik dacht: Ik breng ze even weg. Maar nee. De auto deed het niet meer. Ik kon niks doen, iemand anders heeft het echtpaar met een auto naar het ziekenhuis gebracht.
Maandag ging ik naar de bank. Ik moest toch wat geld hebben. Ik vroeg een mevrouw of ze 1000 gulden over kon maken van de Postbank naar de ABN Amro. Maar ja, ik had geen legitimatiebewijs meer. Begon die vrouw over formaliteiten, blablabla. Van die stomme neuzeldingen. Kwaad dat ik werd! Toen zaten Lia en ik ineens aan onze top. We moesten nog naar een autozaak. Kijken naar een nieuwe auto. Helemaal niet leuk. Maar je hebt nog net een klein beetje geestelijke reserve om door te gaan. Je probeert je groot te houden. Maandagmiddag om vier uur ben ik ingestort. Ik ben met een biertje op een stoel geploft en heb de hele avond verder niks gedaan."
Nuchter mens
"De paar keer dat ik terugging naar het rampterrein, besefte ik dat de dood dichtbij was. Je weet: Ik loop heel veel gevaar. Gasleidingen konden springen, huizen konden instorten. Toch ga je, instinctmatig. Je zet je gevoelens aan de kant. Je zet de werkknop aan. Het heeft te maken met mijn vak als politieman. Een stukje paniek slaat om in professionaliteit. Ik heb me vaak afgevraagd wat ik zou doen in rampsituaties. Hoe ik zou reager en. Achteraf zeg ik: Ik heb een knop omgedraaid. Ik moest iets doen.
Ik voel me geen held. Het geeft wel een bepaald goed gevoel dat we onze buurvrouw hebben gered. Als mijn zwager en ik er niet waren geweest, had ze het denk ik niet gehaald. Dat anderen mij dapper vinden, kan me niet zoveel schelen. Mijn verloofde zegt: "Je bent mijn held." Dat is genoeg. Haha, de buurvrouw zei tegen haar: "Wat heb jij een lieve schat." Buurvrouw Bosman is trouwens een nuchter mens. Ze heeft in de oorlog ook erge dingen meegemaakt. Ze dacht dat zaterdag de Dag des Oordeels was begonnen.
Er zijn mensen die veel schokkender dingen hebben meegemaakt. Ik hoorde van een meisje dat over dode personen moest heenstappen. Ik denk dat wij wonderlijk gespaard zijn gebleven. Moet je bedenken dat op één kilometer vanaf de vuurwerkfabriek een vrouw is overleden aan een slagaderlijke bloeding. En wij leven nog. Er had zo een muur op ons kunnen vallen."