Het comité bestaat uit achttien mensenrechtendeskundigen uit de hele wereld en ziet toe op naleving van het zogenaamde BuPo-verdrag, dat onder andere het recht op leven bevat. Het comité heeft zich nooit uitgesproken over de rechtmatigheid van euthanasie als zodanig. Toch waarschuwde het in zijn rapport over Nederland dat er bij het „ontspannen van wettelijke bescherming tegen bewuste levensbeëindiging” sprake moet zijn van de „meest rigoureuze inspectie.”
De staat heeft volgens het BuPo-verdrag de plicht het leven zoveel mogelijk te beschermen. En blijkbaar twijfelde het comité eraan of die bescherming met een euthanasiewet te combineren valt. Laat Nederland dat maar eens uitleggen.
De zorgen van het VN-orgaan sloegen in als een bom. Uit het buitenland was al genoeg kritiek op de euthanasiewet gekomen, maar meestal waren dat uitspraken van individuele politici (en ook niet altijd even beschaafd). Dat een comité met dit gezag kritische vragen stelde, maakte meer indruk.
Kamerleden van links tot rechts maanden de regering dit, in de woorden van PvdA’er Koenders, „uiterst serieus” te nemen. En het CDA-kamerlid Ross-van Dorp -toen nog in de oppositie- vreesde dat Nederland zich internationaal „volstrekt onmogelijk” zou maken.
Ook in het buitenland werkte de kritiek door. De Belgische christendemocraten -ook in de oppositie- identificeerden zich met de kritiek uit Genève in de strijd tegen voorstellen van hun regering.
Lijden
Enkele weken later stuurde toenmalig minister Borst van Volksgezondheid haar reactie naar de Tweede Kamer. „Met het comité achten wij druk op de patiënt onaanvaardbaar”, schreef ze. Ze beloofde „graag te voldoen” aan het VN-verzoek binnen twaalf maanden te antwoorden.
In de algemene beschouwingen stelde premier Kok op vragen van ChristenUnieleider Van Dijke „met nadruk dat euthanasie geen ”optie” is, maar een ultimum remedium voor een situatie van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.”
In een ronde van schriftelijke vragen over het VN-rapport nam vooral het CDA een ferm standpunt in. Volgens het Kamerlid Ross-van Dorp trok het comité de „rechtmatigheid” van de wet in twijfel, omdat die de bescherming van het leven in gevaar zou brengen.
Het kabinet ontkende dat het comité vroeg de wet te veranderen. Het zou alleen verlangen dat de regels zorgvuldig worden toegepast en gecontroleerd. En dat kwam helemaal overeen met de paarse plannen. „De wet behoeft naar onze mening dan ook geen heroverweging”, aldus het kabinet.
Er hoefde „geen misvatting” over te bestaan dat de regering de zorgpunten uit Genève „uiterst serieus” zou nemen. Waarop het CDA vroeg waarom de regering steeds een „herhaling” van haar standpunt gaf, zonder nu eens inhoudelijk op de VN-kritiek te reageren.
Redmiddel
Het zou voor een ambtenaar niet moeilijk zijn geweest uit al deze gedachtewisselingen een samenhangend antwoord aan de VN te formuleren. De opmerking van premier Kok dat euthanasie geen optie en alleen een uiterste redmiddel is, waren precies het soort dingen wat men in Genève wilde horen.
Maar dat deed het kabinet niet. Toen in 2002 de inlevertermijn verstreek, zat er al een nieuw kabinet waarin het CDA de leiding had. En hoe fel de christendemocraten zich vanuit de oppositie achter het VN-comité hadden opgesteld, zo weinig prioriteit gaven ze aan een correcte beantwoording zodra ze zelf in de regering zaten.
Na anderhalf jaar schreef VN-rapporteur Maxwell Yalden maar eens een brief aan de Nederlandse ambassadeur in Genève. Enkele maanden later, in april 2003, reageerde het kabinet met een verzoek om uitstel. Er zou een evaluatieonderzoek gaande zijn en de VN konden die gegevens er dan gelijk bij krijgen.
In het najaar van 2004 was het dan zover. Het kabinet liet een rapport van staatssecretaris Ross-van Dorp over ”Medische besluitvorming aan het einde van het leven” in het Engels vertalen en naar Genève sturen. Daar moest alles in staan.
Twee mensenrechtendeskundigen verbaasden zich destijds in deze krant over die beantwoording, die „totaal niet toegesneden” was op de vraagstelling. „Het is een stapel papier met de boodschap: ”Zoek zelf uw antwoorden”. Het comité mag het in meerkeuzevorm zelf uitzoeken”, aldus de Utrechtse rechtsgeleerde dr. Matthijs de Blois.
De Duitse prof. dr. Eckart Klein van het Mensenrechtencentrum in Potsdam en oud-lid van het bewuste VN-orgaan leidde eruit af dat de „bedenkingen van het VN-comité niet goed zijn overwogen.” En ChristenUnieleider Rouvoet noemde de Nederlandse reactie „niet passend en tamelijk gemakzuchtig.”
Handschoen
In Genève besefte men ook dat Den Haag geen plezier in de zaak had, want het comité vroeg voor een tweede keer de kwestie „volledig” te bespreken. Begin deze maand is dat dan uiteindelijk gebeurd.
In het jongste stuk van de regering valt opnieuw de feitelijke benadering op. Het legt uit hoe het toezicht op euthanasie is geregeld, hoe de regionale toetsingscommissies zijn samengesteld en wat ze doen. Het biedt de euthanasiecijfers over de laatste jaren en vermeldt hoeveel gevallen zijn doorgestuurd naar de officier van Justitie.
Wie dit stuk zo leest, zou denken dat het VN-comité had gevraagd om uitleg en gegevens. Maar dat is niet zo. Het comité opende een discussie. En de regering pakt in geen van de documenten die vanaf 2001 naar Genève zijn gegaan die handschoen werkelijk op. Integendeel, ze draait om de hete brij heen.
Door steeds op dit technische niveau te reageren, negeert Nederland de politiek-morele vragen die daaronder liggen. Terwijl duidelijk is dat het VN-comité zich ongemakkelijk voelde over de mate waarin de Nederlandse wet het (kwetsbare) leven beschermt.
Verwelkomen
Deze wijze van reageren is typerend voor de manier waarop buitenlandse kritiek op onze euthanasiewet wordt beantwoord. De Duitse minister van Justitie, Herta Däubler-Gmelin, sprak bij de behandeling van het wetsvoorstel in 2000 over een „ernstige taboedoorbreking.” Zulke reacties waren er meer.
De regering-Kok beschouwde dat steeds als onkunde die vooral met (zakelijke en feitelijke) informatie moest worden bestreden. De politieke discussie die het kabinet -hoewel misschien mondjesmaat- in het binnenland wel aanging, bleef in de richting van het buitenland uit.
Toen het CDA nog in de oppositie zat, verwelkomde het steevast alle buitenlandse kritiek. Maar zodra de kabinetten-Balkenende aantraden, veranderde de toon. Toen begin vorig jaar de Italiaanse minister Giovanardi een parallel trok met nazi-Duitsland, reageerde premier Balkenende als door een wesp gestoken. „Zo gaan we niet met elkaar om. Dit geeft geen pas.” Minister Bot van Buitenlandse Zaken riep de Italiaanse ambassadeur op het matje.
En CDA’er Ross-van Dorp had in 2001 gezegd dat het VN-comité de wet „onrechtmatig” vond. Ironisch genoeg mocht zij zelf in 2004 als staatssecretaris van Volksgezondheid de Nederlandse reactie geven. Inhoudelijk hebben de VN daarop nog niet gereageerd, maar er kwam wel een dringend verzoek uit Genève nu eens een keer écht op de gestelde vragen in te gaan. Een duidelijker gedragsovergang van oppositie naar regering is nauwelijks voor te stellen.
Snelheid
Het is nu opnieuw afwachten wat Genève terugzegt. Het duurt waarschijnlijk weer tot volgend jaar voordat het comité de Nederlandse reactie bespreekt. En als een volgende ronde dan opnieuw zes jaar in beslag neemt, zitten we alweer in 2014. Niet echt termijnen die de indruk wekken dat het om een urgente kwestie gaat. Misschien dat Nederland het juist om die reden al zes jaar extra rustig aan doet.
Het VN-comité kan ervoor kiezen hiervan een kernzaak te maken. Actieve levensbeëindiging komt in veel landen steeds hoger op de politieke agenda. Het wordt steeds gebruikelijker dat partijen en kandidaten een standpunt over euthanasie innemen. Tegen die achtergrond is een principiële uitspraak van een mensenrechtencomité zeker te verwelkomen. Een beetje meer snelheid zou daarom toch ook wel prettig zijn.