„Angst. Dat is het eerste wat me te binnen schiet als ik terugdenk aan de vuurwerkramp. Ik was op 13 mei 2000 bij mijn vriendin Marjon aan de Tollensstraat, vlak bij de vuurwerkfabriek. Na de explosies ben ik samen met Sophie, de baby van Marjon, uit het rampgebied gevlucht. Ik zal de chaos, de dikke rookwolken midden op de dag, het gehuil en het geschreeuw niet meer vergeten. God heeft mij echt gedragen.
Ik heb de baby denk ik uit een soort instinct meegenomen. Het is opvallend dat je op zulke momenten best logisch kunt nadenken. Ik heb bijvoorbeeld limonade voor het kind klaargemaakt, omdat ik bang was dat ze uit zou drogen. Toen we later verder vluchtten, ben ik midden op de straat gaan lopen. Er gingen geruchten dat de Grolsch-fabriek zou kunnen ontploffen. Links van mij was de Grolsch-fabriek, rechts stonden de flats. Ik dacht: Als die gebouwen vallen, raken die mij hier midden op de straat niet.”
Paniek
„Na de ramp heb ik vaak gedacht: Ik had dood moeten zijn. Ik was op het moment van de explosies immers vlakbij de vuurwerk fabriek. Ik kon niet bevatten dat brandweermensen, die kwamen om anderen te helpen, wel zijn omgekomen en dat ik nog leefde. Dat is leiding van God.
De eerste driekwart jaar na de ramp durfde ik niets alleen te doen. Ik was angstig. Ik durfde niet alleen naar de wc. Ik was bang dat ik daar dan niet goed zou worden. Dat niemand me zou kunnen helpen. Ik sliep bij moeder in bed. Ik hield haar hand vast. Het klinkt gek, maar ik wilde de touwtjes in handen hebben. Ik wilde blijven leven. Ik dacht: Ik heb de ramp overleefd, nu wil ik niet om iets anders doodgaan.
Ik gebruik nog steeds kalmeringsmiddelen. Door de ramp raak ik gauw in paniek. Dan krijg ik hyperventilatie. Vorige week sprak ik iemand in een garage over de ramp. Dan vliegt de schrik me zo weer aan.
Ik kan helemaal van slag zijn door onweer of door een vliegtuig dat overkomt. Al ga ik dingen wel meer relativeren. Als ik herrie van een vliegtuig hoor, denk ik: Kom op, als je het geluid hoort, is dat ding al weer voorbij.
We zijn na de ramp niet meer teruggekeerd naar ons oude huis aan de Beekstraat. We trokken eerst een paar dagen bij oma in. Daarna woonden we een paar maanden aan de Varviksingel en vervolgens een halfjaar in Enschede-Zuid aan de Koenderinklanden. Vooral op die laatste plaats heb ik me nooit op mijn gemak gevoeld. Het was daar net een doolhof.
Ruim vier jaar wonen we nu aan de Van Musschenbroekstraat. Jarenlang fietste ik eerst naar de Beekstraat om vanaf daar naar mijn bestemming te gaan. Ik heb wat kilometers omgefietst. Ik kon na de ramp lange tijd het woord thuis niet uit mijn mond krijgen. Ik zei altijd: Ik ga naar mijn ouders. De Beekstraat was immers mijn thuis. Vroeger, als ik bijvoorbeeld bang was voor grote jongens, vluchtte ik naar huis, naar vader en moeder in de Beekstraat. Daar was ik veilig. Tot de ramp. Toen hadden we op de Beekstraat ineens geen bescherming meer.”
Uitgangen
„Voortdurend ben ik sinds de ramp bezig met veiligheid. Pas wilde moeder in het ziekenhuis mijn rolstoel dichtklappen. Toen begon ik te protesteren. Als er wat gebeurt, moet ik weg kunnen. Bij bijeenkomsten ga ik nooit midden in een rij zitten. Mijn vriend woont vier hoog. Ik zit altijd te denken: Via welke uitgangen kan ik hier weg?
Sinds september zit ik thuis. Ik ben geopereerd aan mijn heup. Dat heeft niets te maken met de vuurwerkramp. Ik heb sinds mijn geboorte een heupafwijking. Het is afwachten hoe dat zich ontwikkelt. Dat is best ingrijpend.
De ene dag zie ik het even niet zitten, de andere dag schijnt de zon gelukkig weer. Ik zal zowel mijn heupafwijking als de nasleep van de vuurwerkramp moeten verwerken. Gelukkig heb ik fijne ouders en een vriend die mij terzijde staan.”
Enkele fragmenten uit het relaas van Marieke Bargeman kort na de vuurwerkramp (RD, 16 05 2000):
„Het was verschrikkelijk. Dat dreunen, dat gillen, dat blaffen van die honden. Die bebloede gezichten. Ik heb heel enge dingen gezien. Mensen met stukken glas in hun gezicht. We bleven rennen, rennen, rennen.”
„Bij de rooms katholieke Mariakerk kwam van alles naar beneden. Brokken steen, gruis, vreselijk. Wat een paniek. Ik ben boven op de baby gaan liggen, ik wilde niet dat die kleine iets zou overkomen. Dat was niet leuk voor dat meisje. Er lag wel even 60 kilo op dat kind.”
„Marieke leest voor, naar aanleiding van een dienst in de christelijke gereformeerde kerk, kort na de ramp: „Wordt mijn veilig onderkomen. Mij ontnomen. Rukt Gij elke tentpin uit? In mijn angst richt ik mijn ogen. Naar de hoge: Wees mijn Borg, Heer, red mij uit.””
Het volledige verhaal van Marieke Bargeman kunt u vinden in het subdossier "Ooggetuigen van toen".