Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

De onnozelheid voorbij

Verbaasd over de wereldwijde commotie om de Deense spotprent is hij allerminst. Er is hier sprake van een botsing tussen twee culturen, stelt drs. N. C. van Velzen. De oud-docent massacommunicatie van de Evangelische School voor Journalistiek (ESJ) pleit voor een grondige bezinning op de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. „Door de alles-moet-kunnenmentaliteit dreigt onze samenleving te verloederen.”
Eén ding staat voor Van Velzen als een paal boven water: de Deense tekenaar die de beruchte cartoons over de profeet Mohammed maakte, zal zich nooit hebben gerealiseerd dat die tekeningen voor wereldwijde onrust zouden zorgen. „Ongelooflijk hoe een paar plaatjes in een kleine krant uit een klein land dat kunnen veroorzaken. Zouden alle protesterende moslims weten waar Denemarken ligt?”

We leven in een ”global village”, merkt de oud-docent op. „Er is duidelijk sprake van een wereldwijd communicatienetwerk: voor spotprenten in een Deense krant gaan ze in Syrië of Indonesië over de nek. Je kunt nergens meer iets zeggen of schrijven, zonder dat je het risico loopt dat het als een lopend vuurtje over de hele wereld gaat. Dat moeten we ons in het Westen goed realiseren. Bovendien weten we hoe overgevoelig een deel van de moslims reageert. Dat kun je niet afdoen met een beroep op onze vrijheid van meningsuiting of persvrijheid. We moeten echt af van die onnozelheid.”

Toch plaatst de oud-docent de huidige onrust het liefst in een bredere maatschappelijke en historische context. „We zien duidelijk een botsing tussen ideologieën. Het Westen heeft een seculiere beschavingsmissie en die komt in conflict met de islam. Deze beschavingsmissie zou je kunnen omschrijven als een geseculariseerde vorm van zendingsdrang.”

Europa is alle eeuwen door beducht geweest voor de opmars van moslims, stelt Van Velzen. „Vanaf Karel Martel, die in 732 bij Poitiers de Arabieren een halt toeriep, tot heden is daar een duidelijke lijn in te zien. En wat gebeurde er in 1529 en in 1683 toen de Turken voor Wenen stonden? Om hun angsten te onderdrukken, vertelden ze moppen en verschenen er spotprenten over moslims. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon.”

Moeten we cartoons dan maar als onschuldige plagerijtjes beschouwen?
Van Velzen schudt beslist zijn hoofd. „Het probleem is dat het Westen in toenemende mate onverschillig staat tegenover welke religie dan ook. Velen vinden dat media alles moeten kunnen zeggen, schrijven of vertonen. Maar dat is niet de oorspronkelijke betekenis van de vrijheid van meningsuiting. In de klassiek-humanistische visie betekent die vrijheid namelijk dat je respect hebt voor anderen. Om iets te publiceren, heeft niemand meer vooraf toestemming van de regering nodig. Wel geldt daarbij de regel, zoals onze Grondwet die vermeldt: „Behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” De vrijheid is in het Westen ontaard.”

Is er een weg terug?
„Het zou een eind schelen als westerse media zich zouden bezinnen op de vraag wat ze bij anderen aan kunnen richten met hun beelden en publicaties. Ze hebben een sociale verantwoordelijkheid. Media onderschatten de invloed die ze hebben op miljoenen kijkers en lezers. Veel columnisten en cartoonisten zoeken bewust de grenzen van de vrijheid van meningsuiting op. Puur om te shockeren, onder het motto: Dat moet kunnen.”

Gedragscode
Net als premier Balkenende ziet ook Van Velzen weinig in een gedragscode voor journalisten. „De journalistiek heeft al bepaalde regels, zoals die zijn vastgelegd in de Code van Bordeaux. Bovendien geeft ons Wetboek van Strafrecht duidelijk grenzen van onze vrijheden aan.”

Mede dankzij de rechterlijke macht zelf worden de wettelijke grenzen steeds verder opgerekt, constateert Van Velzen. „Waarom mogen columnisten ongehinderd het christelijke geloof belachelijk maken? Hoever mag je gaan om via spandoeken een minister te beledigen? Dan moet je mensen ook niet vrijspreken omdat ze journalist, columnist of tekenaar zijn. Het lijkt soms wel of die boven de wet staan. Het is hoog tijd om de wetsartikelen strikter toe te passen.”

Ook het onderwijs moet meer investeren in jongeren om ze op te voeden tot goede staatsburgers die respect hebben voor andersdenkenden, stelt Van Velzen. „In het voortgezet onderwijs zouden leerlingen les in de Grondwet moeten krijgen. Ook zou er meer aandacht moeten zijn voor het vak staatsinrichting. Die kennis hoort bij de opvoeding tot staatsburgers.”

Is dat voldoende om de huidige onrust de kop in te drukken?
„Natuurlijk niet. Niemand heeft de oplossing in zijn zak. Wel zien we dat haast ontembare krachten zich openbaren, krachten die in zekere zin apocalyptische trekken hebben. De islam heeft een wereldveroverend karakter. Dat heeft onze informatiemaatschappij ook. We moeten niet vergeten dat er achter dit alles sprake is van een geestelijke strijd. Aan de andere kant hoeven we ons door rellen in het Midden-Oosten niet direct van de wijs te laten brengen. Het zou toch te gek zijn als de mensen daar kunnen bepalen wat wij mogen zeggen of doen. Wel moet de huidige commotie ons aanleiding geven tot zelfkritiek. Ook geestelijke vrijheid vraagt ordening.”

Waar zou herijking van de vrijheid van meningsuiting toe moeten leiden?
„In ieder geval tot het respect tonen voor de ander. Dat is nu een vaag begrip geworden. Iedereen gaat daar anders mee om. Veel moslimfundamentalisten zijn overgevoelig en snel in hun eer aangetast. Als je nog maar naar ze wijst, beginnen ze al te schreeuwen. Het vraagt dus veel wijsheid en tact om daarmee om te gaan.

Een groot probleem is dat het joods-christelijke fundament van onze westerse beschaving is uitgehold. Hebben we nog een gemeenschappelijk fundament? Onze samenleving is sterk gefragmentariseerd: iedereen op zijne wijs. Mensen hebben steeds minder invoelingsvermogen en zijn sterk individualistisch ingesteld. Door de Verlichting is de ratio centraal komen te staan. Nu zien we dat irrationele krachten in de moslimwereld zich manifesteren. Een goed gesprek op redelijk niveau helpt daarbij niet meer.

Bovendien is via de media het proces van massificatie volop aan de gang. De hele wereld kan tegelijkertijd massaal naar een voetbalwedstrijd kijken of de installatie van de Amerikaanse president volgen. We worden met de cartoonrellen duidelijk geconfronteerd met de schaduwzijden van deze massificatie.”

Leiden deze ontwikkelingen ertoe dat het onmogelijk wordt om bijvoorbeeld over de islam als een valse religie te schrijven?
„De grote vraag is: Wanneer kwets je iemand? Als ik zeg dat de islam een achterlijke godsdienst is, roept dat ongetwijfeld emoties op. Als een christelijke krant schrijft dat de islam een valse religie is, moet dat medium zich realiseren dat er mensen zijn die eerder denken aan een valse hond en niet beseffen dat vals hier betekent dat het niet in overeenstemming is met de Bijbel.

We moeten meer dan ooit voorzichtig zijn in ons taalgebruik. Niet alleen als we schrijven over de PKN of de Hersteld Nederlandse Hervormde Kerk, maar juist ook als het gaat om mensen van buiten de gereformeerde gezindte.”

Wat betekent de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid voor christenen?
„Die vrijheid is een groot goed. Christelijke media dienen zich te onderscheiden door evenwichtige berichtgeving op basis van hoor en wederhoor, met goede achtergrondinformatie en scheiding van zaak en persoon. Ik zou terughoudend zijn in het plaatsen van spotprenten. Zeker antimoslimcartoons roepen antichristelijke en anti-joodse spotprenten op.

Een medium moet inlichten, toelichten en voorlichten. Daar zit het woord ”licht” in. Als de basis het licht van Gods Woord is, hoeft een christelijk medium geen kunstgrepen uit te halen om zijn lezers te plezieren. Maar niemand mag een ander kwetsen. Vrijheid van meningsuiting mag nooit complete bandeloosheid betekenen.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels