Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

De ‘dubbele moraal’ van Calvijn

 Calvijn preekte in de Cathédrale Saint Pierre in Genève. Deze kerk werd gebouwd in de middeleeuwen en bestaat uit een romaans en een gotisch gedeelte. - Foto RD, Henk Visscher
 1 van 3  

Calvijn preekte in de Cathédrale Saint Pierre in Genève. Deze kerk werd gebouwd in de middeleeuwen en bestaat uit een romaans en een gotisch gedeelte. - Foto RD, Henk Visscher

Een grote, oude hervormde kerk. Zo ongeveer zag het Godshuis in Genève eruit. Vanaf de kansel zag Calvijn een gemeente, omringd door statige zuilen en hoge, ranke ramen in de muren van een ernstig gebouw. Alleen de zo vertrouwde beelden en altaren zijn er niet meer. Want Calvijn koos voor een kerk zonder kunst.
Maar op het moment dat de reformator de kerkdeuren achter zich sloot, had hij het laatste woord over kunst nog niet gezegd. Buiten de kerk begon het domein van de kunsten pas. De eer en glorie die hij de beelden in de kerk had ontnomen, gaf hij buiten de muren van het gebouw weer terug. Kunst, stelde hij, is een scheppingsgave. Zelfs in de beelden van de heiligen Maria, Bernardus en Stefanus schitterde iets van deze gave van de Heilige Geest. De beelden die hij in de kerk niet kon gebruiken -de mensen zouden ze gegarandeerd aanbidden- gunde hij een nieuw plekje op een plein of in een stadhuis. Als de heiligen tenminste niet waren afgebeeld als mensen die in het bordeel thuishoren. Dit typeert Calvijns visie op kunst.

Heidense schil
Vol bewondering las hij de boeken van klassieke filosofen en dichters. De godenwereld met hun liefdesaffaires en oorlogen wist hij naast zich neer te leggen. Calvijn prikte als het ware door de heidense schil heen en dankte God voor het goede dat hij aantrof. In de klassieke meesterwerken triomfeerde de wijsheid en de schoonheid.

Ook over muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, theater en architectuur dacht Calvijn ruim en open. Maar hij stelde één voorwaarde! De kunst mag de zonde in de mens niet aanwakkeren. Het genieten en leren van schilderijen en muziek moet leiden tot verwondering over Gods genade, over de schepping. Het doel is, ondanks de aanwezige on-Bijbelse elementen, de eer van God.

Dat was de reden dat Calvijn, die erg terughoudend tegenover theater stond, het toeliet dat zijn gemeente een toneelstuk over de Handelingen van de apostelen bezocht. Het was ook de reden dat hij grote moeite had met dans, waarin het opwekken van erotische verlangens aan de orde van de dag is.

Hoe kwam Calvijn tot deze ruime cultuuropvatting? De hervormde predikant C. G. Geluk uit Huizen was jarenlang met deze vraag bezig. In zijn proefschrift ”Geest en cultuur” laat hij zien dat Calvijn kunst als een onderdeel van het werk van de Heilige Geest ziet. De Heere gaf de mens bij de schepping de gave om creatief bezig te zijn. Toen kwam de zondeval, die alles kapot maakte. Maar in Zijn (algemene) genade houdt de Heilige Geest de wereld in stand. Hij geeft voedsel en kleding, intelligentie en de gave om kunstwerken te maken: „De uitvinding der kunsten en andere dingen, die ten algemeenen nutte en gerieve strekken, is eene lang niet te versmaden gave Gods en een lofwaardige deugd.”

Kerk zonder kunst
Toch koos Calvijn stellig voor een kerk zonder kunst. Dat had met de praktijk van alledag te maken. Na het bestuderen van de kerkgeschiedenis kwam Calvijn tot één conclusie: de godsdienst is in verval op het moment dat de kunst met al haar franjes een plek krijgt in de kerk. Met deze blik keek hij rond in de kerken van zijn eigen tijd. Hij ervoer het zelf: „En wij hebben door de afgrijselijke onzinnigheid, die voorheen tot verderf van de bijna gansche godzaligheid, zich van de wereld heeft meester gemaakt, meer dan teveel ondervonden, dat zoodra de beelden in de kerken geplaatst worden, als het ware een veldteeken tot beeldendienst wordt opgericht.”

Zo kennen we Calvijn: eenvoudige bouwkunst, geen beelden en schilderijen in de kerk, geen ingewikkelde meerstemmige muziek en geen muziekinstrumenten. Een radicaal standpunt met vele consequenties.

Twee standpunten
In wezen nam Calvijn twee standpunten in. Aan de ene kant legde hij kunst grote beperkingen op. Hij sloot het kerkgebouw als werkterrein voor kunstenaars. Aan de andere kant stelde Calvijn dat kunst een gave van God is. Hij kon genieten van muziek en bewonderde de klassieken. Zolang God op de eerste plaats komt, krijgt kunst alle ruimte.

Je zou het ook kunnen zien als een verschil tussen theorie en praktijk. In theorie is er buiten de kerk alle ruimte voor de kunst. Maar als de theorie -kunst moet zijn tot eer van God- in de praktijk niet blijkt te werken, wordt er een stokje gestoken voor de christelijke vrijheid van kunstenaar en kerkmens. In theorie kun je niet zeggen dat je niet mag dansen. In het oude testament dansten Mirjam, David en het volk. Maar in de praktijk wekte dans in de tijd van Calvijn ongewenste seksuele gevoelens op. Daarom keerde hij zich fel tegen de danspraktijken. Het gaat er niet alleen om wat Gods Woord zegt, maar ook wat het doet in het dagelijkse leven. Als het Woord zijn kracht verliest omdat het moet wijken voor gedachten en gevoelens die God de eer niet geven, zit het niet goed. Misschien is het moeilijk om een bepaalde film of tentoonstelling op grond van Gods Woord af te wijzen. Maar als je erna geen zin hebt om de Bijbel te lezen of te bidden, is het nodig om een standpunt in te nemen: „Kunst moet zijn tot eer van God.”


Luther en Calvijn naast elkaar
Luther en Calvijn: Kunst is een gave en een opdracht van God.

Luther: Dus kunst in de kerk is goed.

Calvijn: Kunst is wel goed. Maar kunst in de kerk leidt tot afgoderij. Daarom is kunst in de kerk niet goed.

Luther en Calvijn: Het omgaan met kunst moet zijn tot eer van God.


Luther wilde overal afbeeldingen
Sommige strijdschriften van de reformator Maarten Luther zijn net prentenboeken. Hij werd bij de vervaardiging ervan bijgestaan door zijn vriend Lucas Cranach (1472-1553). In de ”Passional Christi und Antichristi” zet Cranach het leven van Christus af tegen dat van de paus, de antichrist. Op de linkerbladzijde is de voetwassing te zien. Christus kwam om te dienen. Op de rechterbladzijde zit de paus op zijn troon. Hij is een heersende tiran. Het hele boekje bestaat uit een serie van dertien houtsneden met eronder korte tekstjes. De tekstjes zijn hoogstwaarschijnlijk door Luther geschreven. In een kleine tien minuten heeft zowel een leek als een geestelijke de boodschap te pakken.

Luther maakte dankbaar gebruik van de mogelijkheden die de kunst biedt. Bij zijn vertaling van de Bijbel in het Duits liet hij tekeningen vervaardigen. Luther gaf wel aan hoe mensen getekend moesten worden. En hij zag erop toe dat de kunstenaar zich niet bezighield met overbodige details, zoals leuke mandjes of lieve engeltjes. De afbeeldingen moesten Bijbelgetrouw en eenvoudig zijn. Het moest daadwerkelijk iets toevoegen aan de tekst.

Luther ging anders om met kunst dan Calvijn. Calvijn geloofde dat de aanwezigheid van kunst in de kerk afgoderij in de hand werkt. Maar in de ogen van Luther ondersteunen afbeeldingen het Woord. Hij wenste dat alle kerken en woningen beschilderd werden met Bijbelse geschiedenissen. Zodat de mensen als het ware omringd waren door het christelijk geloof.

De houding van Luther relativeert de radicale visie van Calvijn een klein beetje. Er zijn dus verschillende visies mogelijk. Uiteindelijk moeten we voor Gods aangezicht onze eigen weg zoeken. We mogen kunst gebruiken, maar we kunnen er ook te veel waarde aan hechten.

Ten diepste zaten Calvijn en Luther wel op één lijn. Ze verschilden in de manier waarop ze met kunst omgingen, maar niet in hun doel. Ze waren allebei geroepen door de Heere om Zijn Woord uit te dragen; ze zochten door genade ook allebei de eer van God. Ze wilden niet dat kunst tot een afgod verwordt. Ze plaatsen allebei kunst onder het gezag van Gods Woord.


Glas-in-lood
Zou Calvijn verontwaardigd reageren op de aanwezigheid in de kerk van ramen met Bijbelse voorstellingen? Had -om het maar heel concreet te maken- de gereformeerde gemeente in Nederland in haar nieuwe gebouw in Barneveld geen ramen met afbeeldingen uit het boek Jesaja mogen plaatsen? Begaan ze hiermee een misstap, evenals de andere reformatorische kerken die in de laatste jaren ruimte geven aan religieuze kunst?

Bij de twee ronde ramen aan weerszijden van de preekstoel in Barneveld gaat het niet om een overwaardering van de kunst. Het is geen begin van de ”beeldendienst”. Deze ramen zorgen ervoor dat gemeenteleden zich niet in een fabriekshal wanen, waar zeven dagen per week gewerkt wordt. Ze zitten in een gebouw dat zorgvuldig is aangekleed omdat het aan de dienst van God is gewijd.

Calvijn koos voor een kerk zonder kunst, maar hij sloeg daarin niet door. Het gebouw waar hij in preekte, zag er als een kerk uit. Er was een gewijde sfeer. De hoge vensters die naar de hemel wezen, hadden hun wortels in de middeleeuwse gotiek. Het binnenvallende licht symboliseerde het goddelijke Licht. Op een versluierde wijze werd iets aangegeven van de aanwezigheid van God.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels