Waterwegen
Veel zon doet het fruit goed. Veel water ook. En daar ontbreekt het aan. Het klimaat in deze streek van Zuid-Tirol wordt wel vergeleken met dat op Sicilië, net voor de punt van de Italiaanse laars en vele honderden kilometers zuidelijker. Driehonderd dagen zon is op zich prima voor de agrarische sector, nauwelijks 400 millimeter neerslag weer veel te weinig. De bijna altijd blazende wind droogt het gebied verder uit.
Sproeien dus maar. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als het water ver te zoeken is. Eeuwen geleden legden inventieve boeren daarom een wijdvertakt systeem van waterwegen aan. Deze zogenoemde ”Waale” worden gevoed door smeltwater vanuit de bergen. Een andere voedingsbron voor dit systeem was -en is- het hooggelegen Reschenmeer, in het uiterste noordwesten van Zuid-Tirol.
Om het water werd soms letterlijk gevochten, vertelt Christine Wallnoefer van de VVV in Glurns. „Hoe meer water, hoe groter de oogst. Boeren tapten daarom stiekem elkaars Waale af. Dat gaf een hoop narigheid.” In later tijden reguleerde de overheid de waterverdeling. Officiële beambten zagen toe op de handhaving ervan.
Afschermplaatjes
Het irrigatiestelsel bestaat nog steeds. Talloze wandelpaden kruisen evenzoveel vrolijk kabbelende stroompjes, die zigzaggend hun weg zoeken over de hellingen naar de rivier de Etsch. Wandelen langs deze waalwegen is over het algemeen niet zwaar.
Hedendaagse fruitkwekers sluiten hun beregeningsinstallaties aan op het water uit de Waale. Nagenoeg elke boomgaard is voorzien van tientallen metalen, meterslange buizen, met bovenin een draaiende sproeikop.
Aangezien niet alleen appels, maar ook toeristen veel geld in het laatje brengen, is op het aanleggen van fiets- en wandelpaden niet bezuinigd in de Vinschgau. Die routes voeren nagenoeg zonder uitzondering door de wouden aan appelbomen. Om ongewenste -en gevaarlijke- schrikeffecten voor te zijn, spraken agrariërs en VVV’s af dat er afschermplaatjes zouden worden aangebracht rond de sproeikoppen, en wel op die plekken waar de waterstralen anders de toeristische paden zouden raken. Mooie gedachte, de kapjes zitten er ook, maar ze werken lang niet allemaal afdoende.
En dus is het kiezen of delen. Of liever: er valt niet zo veel te kiezen. Doorfietsen en nat worden dus. Bij een zomerse temperatuur geen probleem overigens. Een beetje afkoeling is dan meer dan welkom. Wel uitkijken met kwetsbare foto- en filmapparatuur en andere bagage.
Zeer relaxed
Los van deze ’buien’ kent de Vinschgau een perfecte manier om de omgeving per fiets te verkennen: door ook de trein te gebruiken. Vanuit Meran loopt een spoorlijn richting de Alpen, naar het plaatsje Reschen. In totaal telt de Vinschgerbahn achttien stations. Op het 80 kilometer lange traject -Vinschger Radweg of Via Claudia Augusta genoemd, met een knipoog naar een vroegere Romeinse heerweg- wordt een hoogteverschil van 690 meter overbrugd.
Er zijn vervolgens verschillende manieren om te recreëren op twee wielen: van inspannend tot zeer relaxed. Om met de laatste categorie te beginnen: men neme de fiets, plaatst die in de trein in Meran en stapt uit op een van de tussenliggende stations en rolt bijna als vanzelf terug naar het beginpunt. De eigen fiets met een bus met aanhanger naar de hoger gelegen delen laten vervoeren, kan ook, vertelt gids Siegi Weisenhorn. „Het is zelfs voor kinderen goed te doen om een lange tocht te maken. Nagenoeg het hele traject is aflopend.” Wie het luie zweet wil laten vloeien, neemt vanzelfsprekend de tegenovergestelde richting: vanuit Meran fietsend richting de bergen, en dan per trein terug.
Wereld van marmer
Toe aan een inspannende uitdaging? Pak de mountainbike en klim vanuit Laas tot boven de 2000 meter. Daar wacht een wereld van marmer.
Het gewilde gesteente uit Carrara (bij Pisa) mag bekender zijn, in Laas pronken ze graag met het feit dat hún Alpenmarmer witter dan wit is. Wie dat wil controleren, kan gewoon in het dal blijven. Her en der in het dorp Laas zijn marmerwerkplaatsen te bezichtigen. Buiten liggen grote blokken marmer te wachten op bewerking, in de bedrijfjes zijn kunstenaars bezig met hun artistieke werk.
Thomas Mayr runt met zijn ouders en zijn zus een zogenaamd Meisterbetrieb. „We maken vooral grafstenen en -ornamenten en doen ook veel beeldhouwwerk voor kerken”, licht hij toe. De jonge Mayr liet zich opleiden tot ict’er, maar koos toch voor het familiebedrijf. „De zaken moeten doorgaan.”
Het witte goud komt van grote hoogte. De plaatselijke VVV heeft een fietskaartje -wandelen kan ook- met daarop een ruim 30 kilometer lange route richting Jennwand en Weisswand. De klim is zonder meer zwaar, al valt de Marmorweg op zich goed te berijden.
Op ruim 1500 meter hoogte wordt er ondergronds marmer gewonnen, zo’n 600 meter hoger is er ook bovengrondse winning. De losgezaagde, enorme blokken (1 kubieke meter marmer weegt 2500 tot 2700 kilo) worden met een soort tandradbaan naar beneden getransporteerd.
Een rondleiding door het winningsgebied Göflaner Marmorbruch zit er niet in, omdat dat te gevaarlijk is. Het uitzicht op de Weisswand is op zich al spectaculair. Het personeel van de marmerindustrie geeft graag uitleg. Ze zijn er best trots op dat hun marmer zelfs in het Witte Huis is verwerkt.
Italiaans of Duits?
Is het nou Bozen of Bolzano? Klobenstein? Of toch maar Collalbo? Eppan of Appiano? Hoe Italiaans is Zuid-Tirol eigenlijk?
Zuid-Tirol vormt de noordelijkste Italiaanse provincie. Alto Adige en Süd-Tirol zijn de officiële namen. Wie niet beter weet, zou de landstreek die tegen de Dolomieten aanleunt aan Oostenrijk toedelen. Dat zit ’m voor de toerist vooral in de taal. Zo veel Duits in dit gebied, is dit Italië?
De gedachte is zo vreemd nog niet. Zuid-Tirol was ooit wel degelijk Oostenrijks: Süd-Tirol, onderdeel van de streek die in Oostenrijk nog steeds Tirol heet. De -soms zeer ongelukkige- herverkaveling van Europa na de Eerste Wereldoorlog brengt het gebied in Italiaanse handen. De grens komt te liggen op de waterscheiding van de Alpen.
Gevoeligheden
Allerlei gevoeligheden steken de kop op. Bij een volkstelling in 1910 blijkt dat nog geen 3 procent van de inwoners Italiaans spreekt. Mussolini denkt Zuid-Tirol na de Eerste Wereldoorlog te kunnen italianiseren door het Duits uit het openbare leven te bannen. Hij gaat daarin heel ver: zelfs achternamen moeten eraan geloven. Dit laatste project wordt echter bij de letter B gestaakt, na felle internationale protesten.
Het pact dat Mussolini in 1939 met Hitler (Oostenrijker van geboorte) sluit, brengt Zuid-Tirol niet terug binnen de grenzen van Oostenrijk. Wel vertrekt een groot deel van de oorspronkelijke bewoners naar de noordelijke buurlanden, vaak min of meer gedwongen.
In de jaren erna is er keer op keer sprake van etnische botsingen tussen Duits- en Italiaanstaligen. De conflicten concentreren zich rond één hoofdthema: autonomie voor de provincie Zuid-Tirol. Dat is inmiddels al heel wat jaren het geval, waarbij de Duitstaligen allerlei rechten hebben kunnen afdwingen. „Als ik bijvoorbeeld voor een rechtbank moet verschijnen, heb ik het recht om Duits te spreken en moet ik ook in het Duits te woord worden gestaan, zelfs al is het een rechtbank buiten Zuid-Tirol”, vertelt Siegi Weisenhorn. De gids woont in Glurns (uiteraard staat er ook Glorenza op de borden) in de regio Vinschgau en laat toeristen per fiets de geheimen van de streek zien. Van spanningen op grote schaal is volgens Weisenhorn in Zuid-Tirol geen sprake meer. „Gelukkig niet.” Twee derde van de inwoners spreekt tegenwoordig Duits, bijna een derde Italiaans en een klein percentage Ladinisch (nauw verwant aan het Reto-Romaans en het Friulisch).
De afstand van Utrecht naar de Zuid-Tiroolse vakantieregio Vinschgau (via München, Innsbruck en de Brennerpas) bedraagt ongeveer 1150 kilometer. Voordelig vliegen kan via Transavia (www.transavia.com, op Verona of Innsbruck) en Ryanair (www.ryanair.com, op Verona).
Meer informatie: www.vinschgerbahn.it, www.vinschgau.is.it, www.suedtirol.info, www.comune.lasa.bz.it.