Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Darwins zwakste schakel

 Darwin laat zich enkele jaren na de dood van dochter Annie portretteren door het Londense fotobureau Maull & Polyblank. De foto was bestemd voor de Literary and Scientific Portrait Club. - Foto Maull en Polyblank
 1 van 5  

Darwin laat zich enkele jaren na de dood van dochter Annie portretteren door het Londense fotobureau Maull & Polyblank. De foto was bestemd voor de Literary and Scientific Portrait Club. - Foto Maull en Polyblank

Voor Darwin zijn de veertig laatste levensjaren een zware dobber. Doktoren weten geen raad met zijn raadselachtige kwalen. In het waterkuuroord Great Malvern lijkt de gekwelde wetenschapper met koude douches op adem te komen, maar in het Engelse stadje breekt ook zijn zwakste schakel. Door de tragische dood van lievelingsdochter Annie neemt hij resoluut afscheid van het laatste restje christelijk geloof.
„Darwin heeft voor de Beagletrip al buikklachten, maar die zijn van tijdelijke aard”, zegt dr. John W. Harcup. „Tot zijn twintigste beschikt hij over een ijzersterke conditie. Pas na de reis steken allerlei chronische kwalen de kop op, die hem tot aan zijn dood nagenoeg invalide maken.”

Wandelend door Great Malvern licht de gepensioneerde arts Darwins medische dossier door. Het charmante stadje, op een gekartelde heuvelrug in Midden-Engeland, speelt een grote rol in het leven van de gevierde wetenschapper. „In victoriaanse tijd was dit een kuuroord, waar James Manby Gully en James Wilson een bloeiende praktijk hadden”, vertelt Harcup. „Ze behandelden vooral aristocratische welgestelden die óf last van overgewicht hadden óf overspannen waren.”

Beide waterdokters zijn zakelijk zo slim hun clientèle niet altijd glashard met de oorzaak van de klachten te confronteren. De pluimstrijkers doen hun patiënten geloven dat de ongemakken te wijten zijn aan buitensporige intellectuele bezigheden en niet zozeer aan een losbandig leven of overmatigheid. De twee schrijven ijskoude douches, stoombaden, strenge diëten (zonder alcohol) en lange wandelingen voor. „Hun aanpak is erop gericht om ingewanden weer op te peppen en het zenuwgestel te kalmeren. Door middel van koud water en wrijving proberen ze bloed uit de maagstreek naar huid en ledematen te lokken.”

De kundigheid van het duo behoeft niet in twijfel te worden getrokken, meent dr. Harcup. „Reguliere artsen in die tijd gingen kwalen vaak te lijf met braak-, laxeer- en purgeermiddelen, die zelfs lood en kwik bevatten. Ook opium en morfine waren populaire pijnstillers, met allerlei nare bijwerkingen tot gevolg. Gully, een uitermate bekwame arts, was ontevreden over de medische zorg in die tijd en stortte zich op alternatieve geneeswijzen, zoals homeopathie. Zakenpartner Wilson zag hoe succesvol Vincent Priessnitz in Silezië een kliniek voor hydrotherapie runde en dat mensen uit heel Europa zijn koudwaterbehandelingen ondergingen. Wat in Grafenberg gebeurde, kon ook in Great Malvern, was beider gedachte. Het klimaat was niet beroerd, de omgeving prachtig en uit allerlei bronnen welde water, zo zuiver dat er zelfs geen mineralen in zaten. Zodoende werd deze stad een broeinest van de watergeneeskunde”, aldus Harcup. „De artsen lieten badhuizen bouwen en fraaie villa’s om hun patiënten onderdak te bieden. Dankzij hen hebben we het mooiste station van Groot-Brittannië. Het moest grandeur uitstralen, om de deftige treinreizigers te imponeren.”

Herstellend effect
Een kameraad van de Beagle, Bartholomew Sulivan, attendeert Darwin in het voorjaar van 1849 op de „hydropathy.” Charles, die niets van kwakzalvers moet hebben, polst twee neven: Henry Holland, lijfarts van koningin Victoria, die er geen heil in ziet, en William Darwin Fox, een tobbende predikant, die juist adviseert wel te gaan.

Uiteindelijk geeft Darwin dr. Gully het voordeel van de twijfel; ’gewone’ artsen zijn immers ook niet in staat het voortdurende overgeven te bedwingen. Het gezin pakt de koffers en vertrekt naar Great Malvern, met trein en koets twee dagreizen van Downe. Aanvankelijk voor anderhalve maand, maar Darwin rekt het verblijf uiteindelijk tot zestien weken. „Hij wilde niet met lotgenoten onder één dak verkeren en nam met Emma, zes kinderen en enkele bedienden intrek in The Lodge”, vertelt Harcup op de oprijlaan. De witgestucte villa ligt fraai tegen de beboste helling aan Worcester Road. De huidige bewoners hebben het niet zo op pottenkijkers.

Gully stemt in met Darwins zelfdiagnose, maar schaart onder „slechte spijsvertering” eveneens psychische zwakte en neerslachtige buien. „Hij denkt dat mijn hoofd of de top van mijn ruggengraat oorzaak is van alle ellende.” De arts onderwerpt de patiënt aan een streng dagritme. Een wasman schrobt al om zeven uur ’s morgens met een ruwe, natte handdoek hardhandig Darwins rug („en ik de voorkant”), zodat hij naar eigen zeggen op een kreeft begint te lijken. De zieke laat zich ook onder koude douches zetten, in natte lakens zwachtelen en ondergaat zweetkuren met een spirituslamp onder een deken. Ter afwisseling staan wandelingen (met kompressen op de maag) en hazenslaapjes op het programma.

Het eten is wennen, want het dieet verbiedt suiker, zout, specerijen, thee en „allerlei ander lekkers.” In het begin ziet Gully nog door de vingers dat Charles snuiftabak gebruikt, maar die gewoonte geeft hij uiteindelijk mokkend op. Hij drinkt zelfs drie keer daags homeopathische drankjes.

Monter constateert Darwin na vier weken een „verbazingwekkend herstellend effect.” De misselijkheid is over en hij heeft geen last van winderigheid. „Voordat ik hier kwam, was ik vrijwel helemaal kapot, mijn hoofd duizelde me, mijn handen trilden en er ging geen week voorbij zonder dat ik hevig moest overgeven. Dat is allemaal voorbij en ik kan nu drie tot vier kilometer wandelen.”

Huismiddeltjes
Darwin voelt zich niet 100 procent genezen, maar ziet volgens dr. Harcup in de behandeling een manier om op de been te kunnen blijven. „Om die reden zette hij Gully’s therapie in Downe voort, ook al vroor het.” In de tuin, bij de waterput, bouwt de plaatselijke aannemer volgens zoon George „een kerkachtig” hutje, met op het dak een reservoir voor 180 liter koud water. Vijf jaar lang stelt de natuurvorser zich in de houten douchecabine bloot aan een plotselinge plons. De kinderen horen hem rond het middaguur „van de schrik en de kou” kreunen en stampen. Daarna rost butler Parslow zijn verkleumde lijf met een handdoek af. De trouwe bediende vult overigens elke ochtend ook een tobbe, zodat zijn meester, meteen na het opstaan en een zweetkuur in de met dekens afgedekte hut, daar in kan springen. Darwin neemt eveneens het advies van de waterdokter ter harte om dagelijks niet meer dan tweeënhalf uur geestelijke arbeid te verrichten.

Als later blijkt dat Gully dochter Annie niet kan redden, verwatert Charles’ contact met hem. Great Malvern roept onvermijdelijk nare herinneringen aan haar sterfbed op. De wetenschapper probeert huismiddeltjes en dubieuze drankjes, maar valt toch terug op de hydrotherapie, vooral als hij aan zijn „grote soortenboek” begint. Vanaf april 1857 zoekt hij tot medio 1859 minstens acht keer zijn toevlucht tot dr. Edward Wickstead Lane, die bij Farnhem (Surrey) een waterkuurpraktijk heeft. In die periode ontvangt Darwin ook plotseling het manuscript van Wallace, wat hem psychisch nog meer onder druk zet.

Op 1 oktober zet de auteur een punt achter de correcties van de proeven. Hij vertrekt voor een kuur naar Ilkley (West Yorkshire) om „het hele onderwerp uit mijn gedachten te bannen.” Dr. Edmund Smith stopt hem in bad, maar de arts wekt „constant de indruk zich meer te bekommeren over zijn honorarium en minder om de patiënt.” In de nazomer van 1862, hij is dan 53 jaar, laat Darwin een baard staan, vooral om de eczeemplekken op zijn gezicht te maskeren. Zijn beste vrienden herkennen hem nauwelijks.

In 1863, tijdens het lezen van Lyell’s boek ”Antiquity of Man”, verergeren de klachten zodanig dat zijn vrouw in het najaar aandringt opnieuw in Great Malvern te gaan kuren. Darwin beschouwt dit als een straf. De patiënt voelt zich afgescheept met een tweederangs arts, want dr. Gully zelf is onwel. Emma, die hem vergezelt, raakt bovendien in paniek, omdat zij en een doodgraver tevergeefs naar Annies graf (zie kader) zoeken. Uiteindelijk wordt de overwoekerde zerk gevonden. De gebeitelde doopnaam is amper zichtbaar en daarboven prijkt een medaillon met de letters IHS, de Griekse aanduiding voor Jezus. Vertwijfeld staart het echtpaar naar de plek waar zijn dierbare dochter twaalf jaar geleden aan de schoot der aarde is toevertrouwd.

Het bezoek aan het kuurstadje loopt uit op een mislukking. De eczeemplekken op zijn lichaam zijn zo ontstoken dat Darwin geen aanraking met water kan verdragen. Hij krijgt een zenuwinstorting en verlaat Great Malvern slechter dan ooit tevoren.


Ziek, zwak en misselijk

Tijdens de Beaglereis is Darwin gezond en ontstellend productief, met hoofd én handen. Vijf jaar lang overstelpt hij zijn mentor John Stevens Henslow met kratten vol objecten: opgezette vogels, fossielen, stenen en mineralen, insecten in glazen potten, dierenvellen en zelfs een levende schildpad. Terug in Engeland wil de ambitieuze globetrotter maar één ding: met zijn vondsten en aantekeningen indruk maken op het wetenschappelijk establishment in Londen. Zijn reisjournaal, dat in 1839 van de pers rolt, maakt hem in ieder geval een graag geziene gast. Maar Charles laat daarin niet het achterste van zijn tong zien, want sinds juli 1837 vertrouwt hij zijn eerste cryptische aantekeningen over transmutatie toe aan een geheim notitieboekje.

Frappant is dat Darwin juist in die periode zijn eerste angstaanval krijgt en daarna allerlei andere lichamelijke en psychische klachten de kop opsteken. Voor de rest van zijn leven is hij continu ziek, zwak en misselijk. Met zijn „gebrekkige karkas” kan hij vaak niet langer dan twee uur per dag werken. Zijn „hersenpan en maag” werken tegen. De tobber heeft last van hartkloppingen, duizelingen en hoofdpijnen en wordt geplaagd door steenpuisten en zwellingen. Hij moet voortdurend overgeven, vooral in omstandigheden die spanning oproepen. Hysterische huilbuien zijn hem niet vreemd. Darwin weet van zichzelf dat hij een overgevoelig mens is. Een zenuwlijder, die geregeld depressief is.

Daarnaast zijn er sociaal fobische symptomen. De wetenschapper, die zich veertig jaar lang met zijn gezin in het Kentse plattelandsdorpje Downe verschanst, voelt zich ongemakkelijk in gezelschap van vreemden. Collega’s en „wetenschappelijke vrienden” mogen hem alleen op afspraak bezoeken. De kwalen vormen een excuus om visites te mijden en „alle etentjes” af te slaan. Zelf doet hij in zijn autobiografie voorkomen dit als een gemis te ervaren, „aangezien zulke bijeenkomsten mij altijd vrolijk stemden.”

Darwin consulteert zeker twintig artsen, maar die zijn niet in staat de kluwen van klachten te ontwarren. Is het een soort onderdrukte jicht? Of spreekt zijn geweten? Zijn vader, een in Leiden afgestudeerde huisarts, schrijft een vleesarm dieet voor en laat hem bittere ”Indian ale” slikken. Zelf experimenteert Charles met bismut en opium, en hangt hij „elektrische kettingen” om zijn middel. John Chapman, een excentrieke specialist op het gebied van spijsverteringsproblemen en psychologische geneeskunde, constateert dat Darwin stijf van de spanning staat. „Drie keer daags anderhalf uur ijszakken” in de lendenstreek leggen, luidt zijn advies.

De egocentrische Charles is inderdaad bang voor reputatieschade, maar volgens vrienden heeft hij ook hypochondrie, ziektevrees. Het biografenduo Desmond en Moore noemt hem „overwerkt” en rept over een „innerlijke strijd.” De teruggetrokken geleerde gaat gebukt onder een schuldgevoel, verklaart dr. Robert E. D. Clark de ongerustheid en stress in zijn boek ”Darwin Before and After” (1958). „Zijn moeite lag zo goed als zeker in de onderdrukking van zijn godsdienstige noden.” Volgens de auteur is Darwins leven één lange poging om los te komen van God en de kerk. Hoe hij ook probeert Hem te ontvluchten, het lukt niet. Tot het eind van zijn leven houdt dat hem in de greep.

De Amerikaanse psychoanalist dr. Edward J. Kempf vermoedt eveneens een gewetensconflict en wijst in zijn boek ”Psychopathology” (1920) op een veelzeggend feit: het begin van de ziekteverschijnselen valt samen met Darwins „verschrikkelijke twijfel” aan God en de Bijbel. Hoe dieper hij wegzakt in het moeras van ongeloof, hoe zieker hij wordt.

Feit is dat de aandoeningen, die hijzelf in een gezondheidsdagboekje breed uitmeet, hem veranderen van een vitale avonturier in een bedlegerige stumper. Met zijn zestigste is Darwin al een oude, afgetakelde man. En al die jaren is Emma hem tot steun. De laatste levensjaren is de wetenschapper hartpatiënt. Op 19 april 1882 krijgt hij een „fatale aanval om 12.00 uur”, noteert zijn vrouw in haar dagboek. De 73 jarige richt zijn laatste woorden tot haar: „Ik ben helemaal niet bang om te sterven.”


Afscheid van oogappel

„Ik vrees dat zij mijn beroerde spijsvertering heeft geërfd”, schrijft Darwin. Hij ziet overeenkomsten met ongemakken die hem jarenlang plagen, maar die van zijn oudste dochter Anne (”Annie”) Elizabeth zijn heftiger en langduriger. Bovendien heeft het jonge meisje geregeld koorts. Net als bij haar vader gissen artsen naar de oorzaak. Darwin, die redelijk baat heeft bij het „aqualeven” (al vindt hij het onophoudelijke uit en weer aankleden een ramp), roept uiteindelijk de hulp van waterdokter Gully in.

Annie neemt op 24 maart 1851 snikkend afscheid van haar moeder, die ruim zeven maanden zwanger is, en vertrekt met vader, zus Etty en een kinderjuffrouw naar Great Malvern. Darwin huurt enkele kamers in Montreal House, dat aan de overkant van The Lodge ligt.

Het gezelschap zal van het fraaie uitzicht op de vallei van Worcester weinig genieten. Annies gezondheid gaat zienderogen achteruit. „Het is nu een urenlange strijd tussen leven en dood. God alleen weet de uitkomst”, aldus haar 42 jarige vader, bij wie de klachten ook weer opspelen. Tegen beter weten in hoopt hij voortdurend dat ze er bovenop zal komen. Machteloos ziet hij toe hoe zijn oogappel op woensdag 23 april de laatste adem uitblaast, net tien jaar oud. Annie is „voor eeuwig gaan slapen (…) zonder een zucht”, schrijft Darwin Emma. Hij laat zijn tranen de vrije loop en ligt urenlang met een opstandige maag in bed.

„Gully gaf een galachtige koorts met tyfeuze kenmerken als doodsoorzaak op”, vertelt dr. Harcup. „Afgaande op de symptomen is Annie waarschijnlijk aan een tuberculeuze buikvliesontsteking bezweken. Darwin legde de schuld bij zichzelf; hij raakte er steeds meer van overtuigd dat zijn eigen aandoening erfelijk was en nu in zijn kinderen sluimerde. Genetisch gezien was het huwelijk van zijn ouders én dat van hem nogal verontrustend. In beide gevallen ging het om een verbintenis tussen neef en nicht, wat de kans op aangeboren afwijkingen doet toenemen.”

Daags na haar verscheiden bespreekt Charles met de firma Cox & Co de begrafenis, drukt nog een laatste kus op Annies ingevallen gezichtje en spoedt zich naar Down House, met het excuus dat Emma hem juist nu meer nodig heeft, om samen met haar „bitter te kunnen huilen.”

Darwins afwezigheid bij confronterende plechtigheden is meer dan toevallig, vindt Dudley Brook, ouderling en organist van een vrije evangelische gemeente tijdens een wandeling door Great Malvern. „Het lijkt een patroon, want hij liet ook bij de begrafenis van zijn vader verstek gaan”, aldus de gewezen biologiedocent, die na zijn pensionering de geschiedenis van Great Malvern doorspit en het plaatselijke museum van waardevolle informatie voorziet. „Niet alleen fysieke en emotionele zwakte spelen een rol. Hij stoorde zich ongetwijfeld aan de anglicaanse begrafenisrituelen, met hun beloften van wederopstanding en het eeuwige leven. Die botsten met zijn naturalistische opvattingen.”

Darwin nam door Annies dood definitief afstand van het christelijke geloof. De 84 jarige Brook betreurt deze „zonde.” Zelf moet hij niets van evolutie hebben. „Het leven is niet uit toeval ontstaan. God did it!” zegt hij onder de Libanonceder bij Annies graf, op een steenworp afstand van de middeleeuwse kloosterkerk, waar haar broertje Francis in de zomer van 1849 is gedoopt.

Precies een week na haar dood schrijft Charles op zwartgerand rouwpapier een in memoriam. Hij schetst „ons arme kind” als een levenslustig meisje, gevoelig en aanhankelijk. Annie is bij zijn weten nooit stout geweest („ik dank God dat ik haar zelden een afkeurende blik toegeworpen heb”). Darwin haalt zich haar onschuldige gelaatstrekken voor de geest en vergelijkt die met de foto die twee jaar eerder van haar is gemaakt. „Och, als ze eens wist hoe diep en warm onze liefde voor haar lieve vrolijke gezicht nog altijd is en altijd zal blijven. Gezegend zal zij zijn!” Een kwarteeuw later krijgt Darwin nog tranen in de ogen als hij „aan haar innemende gewoonten” denkt, schrijft hij zijn autobiografie. „Ik weet zeker dat zij een verrukkelijke vrouw zou zijn geworden.”

De „troost van onze oude dag” had het niet verdiend te sterven. Zijn dochter was ervoor gemaakt een gelukkig leven te leiden, maar ze werd daarin belemmerd door een slechte gezondheid; de natuur had haar tegengehouden en genadeloos verpletterd. De strijd was „bitter en wreed” geweest.

Emma bewaart het epistel in Annies schrijfdoos, waarin behalve een bruine haarlok andere herinneringen aan haar dochter zitten, zoals een uitgescheurd notitieblaadje met daarop een plattegrond van de begraafplaats die schoonzuster Fanny had uitgekozen.


Man van de klok

„Mijn leven is als een uurwerk”, zegt Darwin, die door „noeste arbeid” allerlei vervelende gedachten probeert uit te bannen. „Voor mij is nietsdoen regelrechte ellende. Ik ben nooit gelukkig, behalve als ik aan het werk ben.” Arbeid kalmeert hem als opium en wetenschap is zijn religie, beweert David Quammen, een van de vele biografen.

In kwaalvrije perioden verzet Darwin een ongelooflijke hoeveelheid werk. Na zijn dood heeft hij ruim 150 wetenschappelijke artikelen op zijn naam staan en ten minste zestien boeken gepubliceerd, qua onderwerp variërend van klimplanten tot aardwormen. Hij dankt deze hoge productie aan een strak werkschema met zo min mogelijk onderbrekingen. Ook Emma vervult daarin een rol: ze schermt haar man af van elke vermijdbare hindernis.

De workaholic start om zeven uur de dag met een wandeling en ontbijt daarna in zijn eentje. Van acht tot halftien uur is Darwin bezig in zijn werkkamer. Daarna leest Emma hem tot halfelf brieven van de familie of een roman voor. Na anderhalf uur schrijven in de ”study” weet de hond dat de ”Sandwalk” op het programma staat. Op oudere leeftijd rijdt hij een poosje paard, maar als Tommy een keer struikelt en Darwin een fiks aantal kneuzingen oploopt, wordt deze vorm van lichaamsbeweging gestaakt. Na de lunch met het gezin, waarbij hij zijn hoofdmaaltijd nuttigt, leest Darwin de krant en werkt hij aan zijn correspondentie.

Rond de klok van drie doet hij op de sofa een dutje, rookt hij een sigaret, leest Emma hem voor of gaat hij met de butler biljarten („dat verdrijft die akelige soorten uit mijn hoofd”). Een uur later is het opnieuw tijd om te wandelen. Vanaf halfvijf is Charles bezig met ontleden of turen door zijn „prachtig speeltje”, een eenvoudige microscoop. Om zes uur gaat hij een poosje naar bed. Om halfacht staat het avondeten op tafel (voor Darwin een lichte maaltijd), waarna het echtpaar een boek pakt of twee partijtjes backgammon doet, waarbij Darwin zorgvuldig de score bijhoudt. Nadat Emma nog een poosje muziek op de glanzende Broadwood laat horen, kruipt Darwin om halfelf tussen de lakens. Hij zegt meestal slecht te slapen.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels