De bewoners van de Enschede wijk zullen bij de explosie ook aan oorlogstaferelen hebben gedacht; sommigen misschien aan de wederkomst. Het plotselinge karakter van de ontploffing heeft ons allemaal opnieuw bepaald bij het feit dat we allen ieder ogenblik in gevaar verkeren. Zelfs al waant een mens zich veilig in zijn eigen huis.
De tragische gebeurtenissen in Twente roepen nu allerlei vragen op. Van verschillende zijden is gezegd dat het vuurwerkbedrijf over alle noodzakelijke vergunningen beschikte. Maar dat zegt niet alles. Bekend is dat vergunningen in bestaande situaties in het algemeen gemakkelijker worden afgegeven dan in nieuwe. Of dit in Enschede ook is gebeurd, is nog een open vraag.
Ook de mededeling dat de landmacht het vuurwerkbedrijf geregeld controleerde, is geen garantie dat alles werkelijk in orde was. De experts van het leger keken bijvoorbeeld wel naar de inrichting van de opslagplaats, de constructie en de veiligheidsvoorzieningen. Ze beoordeelden echter niet de locatie van de opslagplaats. De vraag of het verantwoord is een vuurwerkbedrijf midden in een woonwijk uit te oefenen, beantwoordde de landmacht dus niet.
Juist de plaats van het bedrijf is cruciaal bij het ongeluk van zaterdag. Hoe is het mogelijk dat honderd ton explosief materiaal midden in een woonwijk mocht worden opgeslagen? Gemeentebestuurders beweren niet van de opslag geweten te hebben. Zelfs burgemeester Mans, een bekwaam bestuurder, zegt dat. Maar dat kan geen excuus zijn. De vergunningen voor het vuurwerkbedrijf zijn ondertekend door de burgemeester. Ten minste in formele zin heeft hij kennis van het bedrijf gedragen.
Het gedogen van het vuurwerkbedrijf in de woonwijk is ook niet het gevolg van stadsontwikkeling, waardoor nieuwe woonwijken industrieterreinen naderen. In 1977 betrok het Enschedese bedrijf een pand in een bestaande woonbuurt. De vraag is: Hoe kon dat ooit gebeuren? Was het stadsbestuur zich toen niet bewust van de gevaren?
Kennelijk heeft de gemeente toch wel beseft dat er sprake was van een ontoelaatbare situatie. De afspraak was dat het bedrijf in 2002 zou verhuizen. Achteraf is de vraag te stellen: Waarom niet eerder?
Zoals bij iedere ramp zijn er dus tal van vragen. Premier Kok heeft een diepgaand en onafhankelijk onderzoek naar de toedracht van de ramp toegezegd. Dat is zeker nodig. Bij de Bijlmerramp in 1992 en bij het ongeluk met de Hercules in 1996 hebben tal van commissies onderzoek gedaan. De conclusies van de verschillende onderzoekers spraken elkaar tegen. De nasleep van de Bijlmerramp heeft geleerd dat het leed van de getroffenen verergert door dergelijke verschillen in de uitkomsten van onderzoeken. Dat moet de overheid nu proberen te voorkomen.
Dat is overigens niet het enige wat de regering in deze situatie kan doen. Verdriet over verlies van geliefden en pijn bij gewonden kan de overheid niet verhelpen. Ze kan wel werken aan adequate regelingen voor schadevergoedingen.
Het is nog onduidelijk of het vuurwerkbedrijf aansprakelijk is te stellen. De vraag is of getroffenen moeten wachten totdat een juridisch steekspel daarover is uitgevochten. De schadeverzekeraars hebben bijvoorbeeld gezegd autobezitters met alleen een WA-verzekering geen uitkering te zullen geven. In dergelijke situaties dient de overheid te helpen. Niet alleen omdat de getroffen woonwijk vooral wordt bevolkt door mensen met lagere inkomens. Dat weegt mee. Belangrijker is dat rampenschade van dergelijke omvang alleen door de gemeenschap kan worden gedragen.