Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Ziek van ketters geheim

 Darwin laat pas op 53-jarige leeftijd een baard staan, vooral om de eczeemplekken op zijn gezicht te verbergen. Zelf zinspeelt hij graag op de Bijbelse associaties die zijn nieuwe uiterlijk oproept en vraagt vaak al grappend of hij er niet ‘eerbiedwaardig’ uitziet. Foto RD

Darwin laat pas op 53-jarige leeftijd een baard staan, vooral om de eczeemplekken op zijn gezicht te verbergen. Zelf zinspeelt hij graag op de Bijbelse associaties die zijn nieuwe uiterlijk oproept en vraagt vaak al grappend of hij er niet ‘eerbiedwaardig’ uitziet. Foto RD

Door én voor wetenschappers is over Charles Robert Darwin en zijn werk ontstellend veel geschreven. De basisfeiten uit zijn levensloop zijn sinds jaar en dag bekend, maar elke nieuwe publicatie prikkelt toch weer de nieuwsgierigheid of er aspecten aan bod komen die een ander licht op de natuurvorser werpen. Adrian Desmond en James Moore zitten met hun biografie hem wel heel dicht op de huid.
De lijst met levensbeschrijvingen over Darwin is dermate indrukwekkend dat de lezer zich mag afvragen of hij telkens dezelfde kost krijgt voorgeschoteld, al dan niet in andere bewoordingen. Naar het oordeel van Desmond en Moore zijn het meestal „bloedeloze aangelegenheden”, want de auteurs betreden „nauwelijks nieuw terrein” en leggen „geen verband met de enerverende gebeurtenissen en brandende kwesties uit Darwins tijd.” Hun eigen boek positioneert de hoofdpersoon op een verhelderende manier wel te midden van maatschappelijke en religieuze ontwikkelingen in het victoriaanse Engeland, waar intellectuele dissidenten met onorthodoxe overtuigingen steeds heftiger in opstand komen. De twee noemen hun biografie „een prikkelend sociaal portret.”

Om het „mysterie” van Darwins leven over de hele linie minutieus te kunnen ontrafelen, spitte het duo door een geweldige hoeveelheid materiaal. Darwin was gelukkig een hamsteraar; hij bewaarde vrijwel alles wat hij schreef: moeilijk ontcijferbare notitieboekjes, oude manuscripten, uitgescheurde bladzijden en van commentaar voorziene overdrukken. Ook liet hij ruim 14.500 brieven van en aan hem na, die nu via www.darwinproject.ac.uk/ zijn te raadplegen. Zo konden Desmond en Moore de auteur van de ”Origin of Species” bijna van dag tot dag op de voet volgen en de ontwikkeling van zijn evolutiegedachte gedetailleerd reconstrueren.

Overbekende én minder bekende episodes passeren de revue. De lezer komt te weten hoe Darwins karakter was, hoe hij vriendschappen sloot en verbrak, mensen inpalmde en aan het lijntje hield en wetenschappelijke nieuwtjes lospeuterde. Duidelijk wordt waarom hij zo verbeten te werk ging en uit welke kiemen zijn belangrijkste ideeën ontsproten. Het verslag, verdeeld over 44 hoofdstukken, boeit van a tot z. Darwin wordt als mens haast tastbaar.

De Engelstalige editie kreeg direct na verschijnen in 1991 alom lof toegezwaaid. In die zin is het haast gênant dat er pas nu, zeventien(!) jaar later, een Nederlandse vertaling beschikbaar is. Uitgever Nieuw Amsterdam presenteert de vuistdikke, bijna duizend pagina’s tellende pil als de definitieve biografie. Voor het Nederlands taalgebied is die kwalificatie op zijn plaats, zolang er geen vertaling komt van de eveneens uitputtend gedocumenteerde biografie van Janet Browne, die tussen 1995 en 2002 in twee delen verscheen.

Keerpunt

De reis met het Britse marineschip Beagle was „verreweg de belangrijkste gebeurtenis van mijn leven”, schreef Charles Darwin in zijn autobiografie, zes jaar voor zijn dood. De vijf jaar durende verkenningstocht bepaalde zijn hele verdere loopbaan, blikt de grijsaard terug, die de expeditie gerust explicieter een keerpunt had kunnen noemen. Van een besluiteloze flierefluiter -die met de mond nog het christendom belijdt- evolueert hij namelijk tot een tobbende kluizenaar met grote twijfels over de grootste levensvraag: hoe kom ik ooit met God in het reine?

Eenmaal aan boord gaat er letterlijk een wereld voor de amateurnatuurkundige open. Hij staat oog in oog met wilde inboorlingen, maakt stormen, aardbevingen en vulkaanuitbarstingen mee. Dagelijks noteert de ontdekkingsreiziger zijn waarnemingen en gedachten, een gewoonte waar hij de rest van zijn leven aan vasthoudt. Hij ziet de natuur in al haar grilligheden en munt uit in een onverzadigbare verzameldrift. Kratten vol botten, gelabelde vogelhuiden, monsters op sterk water, insecten, stenen en koralen laat hij naar Engeland verschepen. De crème de la crème van de wetenschap vergaapt zich aan zijn vondsten.

Zijn observaties op het zuidelijke halfrond brengen hem grondig aan het twijfelen. Naar zijn idee kloppen (te) veel waarnemingen niet met het dogma van een eenmalige schepping of met de opvatting dat soorten nooit veranderen. Charles, opgegroeid met de idee dat de natuur lieflijk, onschuldig en vredig is, ziet onderweg zo veel wreedheid dat de globetrotter grote vraagtekens plaatst bij de beweerde goedheid en almacht van de Schepper.

Desmond en Moore beschouwen Darwin niet als een genie dat zijn tijd ver vooruit is. Gevoed door de evolutionistische denkbeelden van onder anderen Charles Lyell, Thomas Malthus, Alfred Russell Wallace én een beetje van zijn grootvader Erasmus Darwin buigt hij zich vrijwel direct na thuiskomst over de honderden vellen met notities. Zoekend naar het mechanisme van soortvorming legt hij creatieve verbanden tussen geologische, biologische en antropologische verschijnselen. Zijn cryptische overpeinzingen en speculaties worden vanaf 1837 opgewonden in een geheim aantekenboekje gekrabbeld. Ze vormen het kader van zijn onderzoek naar de manier waarop planten en dieren veranderen.

Als een terriër zet de rusteloze zoeker zijn tanden in de materie en komt een jaar later tot het inzicht dat het leven een voortdurende strijd om het bestaan (”struggle for life”) is, waarin alleen de best aangepasten overleven (”survival of the fittest”). Natuurlijke selectie is volgens hem het voornaamste mechanisme dat een biologische ”transmutatie” (evolutie), de geleidelijke overgang van de ene soort in de andere, veroorzaakt. Langzaam komt het blinde toeval in beeld en ziet Darwin de mens niet langer als kroon op de schepping en zeker niet als een door God uitverkoren soort. Ondertussen houdt hij de ultieme oorsprong buiten beeld. „Wij kunnen niet achterhalen hoe het eerste leven op aarde ontstaan is. We kunnen hooguit de vraag stellen of de soorten van een geslacht een gemeenschappelijke voorouder hebben.”

Bolwerk

Voor hij zijn ontluisterende ideeën in druk durft prijs te geven, verstrijken er nog eens twintig jaar. Te vroege publicatie zou zijn neergekomen op wetenschappelijke zelfmoord, aldus de biografen. Voorgangers met evolutionistische denkbeelden waren in het anglicaanse Engeland verketterd. Het wetenschapsbastion wortelde nog in de traditie van de natuurlijke theologie van onder anderen William Paley en liep keurig in de pas van de staatskerk, waarin een godvruchtige predikant als Joseph Charles Philpot overigens nauwelijks nog één merkteken van een ware kerk kon bespeuren. Veel prominente geestelijken stonden zondags op de kansel en door de week spotten ze vogels of holden ze achter insecten aan. Maar het machtige bolwerk begon scheuren te vertonen. Socialistische vrijheidspredikers, radicale vrijdenkers en andere voorvechters van verandering zorgen ervoor dat de kust voor Darwin veiliger wordt.

De brave gentleman gaat omzichtig te werk, bang dat zijn theorie die van de mens een beest maakt, de klassenmaatschappij schade zal berokkenen. De kapitaalkrachtige landjonker wil evenmin zijn anglicaanse vrienden kwetsen en houdt rekening met de religieuze gevoelens van zijn vrouw, nicht Emma Wedgwood.

Teruggetrokken op het platteland snijdt Darwin zichzelf af van de buitenwereld. Hij mijdt feestjes, onttrekt zich aan sociale verplichtingen en weigert jarenlang buitenshuis te slapen, tenzij het een plek is waar hij zich veilig waant, bijvoorbeeld bij naaste familieleden. Hij hangt zelfs een spionnetje naast het raam van zijn studeerkamer om te kunnen zien wie de oprijlaan opkomt. Het is een man die overal spoken ziet. Zich verschansend in zijn werkvertrek correspondeert de kamergeleerde met vriend en vijand over de hele wereld: geleerden, ambtenaren, legerofficieren, diplomaten, pelsjagers, konijnenfokkers, boeren, dierentuindirecteuren, duivenmelkers, tuinlieden, kennelhouders. Ook zaden, huiden, manuscripten en drukproeven vinden hun weg naar het dorpje Down(e) in Kent.

Darwin peilt behoedzaam, laat proefballonnen op en scherpt zijn argumenten op sceptische tegenwerpingen van collega’s. Hij wil zijn aanzien niet verliezen en moet beslagen ten ijs komen, met een overdaad aan empirisch bewijsmateriaal. De onderzoeker schrijft twee voorlopige manuscripten (in 1842 en 1844) en blijft maar schaven aan de tekst. Beducht voor de onvermijdelijke weerstand heeft Darwin nog niet het lef naar een uitgever te stappen. Om deze publicatieangst voor zichzelf te kunnen verantwoorden, ploetert hij vervolgens acht jaar lang aan een uitputtende monografie over zeepokken en eendenmosselen.

Ondertussen probeert Darwin medestanders te krijgen, die voor hem de kastanjes uit het vuur kunnen halen. Begin 1844 kruipt hij uit zijn schulp en neemt Joseph Hooker in vertrouwen. Hij biecht de jonge botanisch geograaf zijn transmutatiemodel op: „Het is als het bekennen van een moord.” In hetzelfde jaar verstopt Darwin voor Emma een brief, die zij pas mag openen als hij onverwacht komt te overlijden. Het schrijven bevat een „hoogst plechtige en laatste verzoek” om zijn verhandeling postuum te publiceren. Hij laat vrouwlief de ruwe versie van het essay wel alvast lezen en… legt het nog veertien jaar in een la.

Paniek

Pas als Darwin medio 1858 een pakketje vanaf het eiland Ternate in Nederlands Oost-Indië opent, raakt hij in paniek. Wallace heeft hem een epistel gestuurd, waarin de Britse veldbioloog de evolutietheorie door natuurlijke selectie uiteenzet. De ontvanger leest er al zijn ideeën in, overzichtelijker dan hij het zelf ooit had kunnen formuleren. In wetenschappelijke kringen zoemt al enige tijd het begrip ”transmutatie” rond, maar Darwin is overrompeld. Gelukkig heeft hij zijn netwerk om de erkenning van zijn levenswerk veilig te stellen. Gekozen wordt voor een gezamenlijke korte publicatie, die tijdens de vergadering van de Linnaean Society op 1 juli wordt voorgelezen.

Darwins soortenboek rolt een jaar later, op 24 november, eindelijk van de pers. ”On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life” (Over de oorsprong der soorten door middel van natuurlijke selectie, of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het bestaan) verwijst amper naar de oorsprong van de mens, maar de auteur weet dat hij onmiddellijk als de „kapelaan van de duivel” gebrandmerkt zal worden. Hij verwijst daarmee naar Robert Taylor die tijdens Darwins studie in Cambridge de anglicaanse gemeenschap faliekant tegen zich in het harnas joeg met zijn godslasterlijke voordrachten. Nerveus verschuilt hij zich achter zijn zwakke gezondheid om zich aan de openbare discussie te onttrekken. Darwin, die vanwege de publicatie zijn ridderschap misloopt, laat de confrontatie over aan zijn aanhangers, die hij zo nu en dan wel opport. Volgelingen als de arts Thomas H. Huxley en de socioloog Herbert Spencer, darwinistischer dan hijzelf, verkondigen de evolutietheorie als een nieuw soort evangelie en gaan met tegenstanders stevig in debat.

Agnost

Darwin geeft uitsluitend binnen de intimiteit van het gezin blijk van een groeiende afkeer van de gevestigde godsdienst, weten we van zijn achter-achter-achterkleinzoon Randal Keynes. In zijn autobiografie meldt hij openhartig het langlopende meningsverschil met Emma. In tegenstelling tot Darwin is zijn vrouw wel Bijbelvast. Ze kreeg een unitaristische opvoeding, maar werd voor haar huwelijk lid van de Anglicaanse Kerk. Nog maar net verloofd, wijst ze haar minnaar in een brief op Jezus’ afscheidswoorden aan de discipelen, in Johannes 14 („mijn favoriete stuk uit het Nieuwe Testament”). Ze ervaart een „pijnlijke kloof” tussen zijn materialistische zienswijze en haar geloof.

Gehuwd en onder één dak levend, schrijft Emma haar geliefde nogmaals. Ze kwelt zich met de gedachte dat hij Christus’ openbaring van het eeuwige leven zal opgeven en zijn verlossing opofferen. Haar grote zorg is dat Charles niet met haar in de hemel zal komen. „Als ik dood ben, weet dan dat ik dit vele keren gekust en beweend heb”, krabbelt Darwin geroerd op haar brief.

De dood van dochter Annie, drie jaar na het overlijden van zijn vader, roept eveneens heftige emoties op. Darwin verliest het laatste restje geloof in het christendom. „Eigenlijk wilde ik mijn geloof niet opgegeven. (..) Het werd steeds moeilijker om bewijzen te bedenken die krachtig genoeg waren om mezelf te overtuigen. Dus langzaam maar zeker sloop het ongeloof bij mij binnen, tot het uiteindelijk totaal was. Het ging zo geleidelijk dat ik geen verdriet voelde, en ik heb er sindsdien nooit één enkele seconde aan getwijfeld dat mijn conclusie juist was.”

Darwin kan nauwelijks begrijpen dat iemand zou wensen dat het christendom de waarheid vertelt, „want zo ja, dan laat de onverbloemde taal van de Bijbeltekst zien dat mensen die niet geloven, waaronder mijn vader, mijn broer en bijna al mijn vrienden, eeuwigdurend gestraft zullen worden.” Een weerzinwekkende doctrine in zijn ogen.

Ook het feit dat zijn oogappel aan „koorts” (tuberculose) is gestorven, kan hij niet in overeenstemming brengen met het beeld van een almachtige en liefhebbende God. Toch stelt Darwin Hem niet verantwoordelijk voor het kwaad en het lijden; hij schuift de schuld af op onveranderlijke natuurwetten. „Ik kan mijzelf er niet van overtuigen dat een weldoende en almachtige God de Ichneumonidae (sluipwespen, WHS) opzettelijk zo geschapen heeft dat zij zich voeden met levende rupsen.” Hij verwerpt de gedachte dat God persoonlijk kan ingrijpen in het leven van individuen of in de evolutie van de natuur. Naar zijn mening heeft Hij geen speciale belangstelling voor hun lot. „De bliksem doodt een mens, of hij nu goed of slecht is als gevolg van de extreem gecompliceerde werking van de natuurwetten.” Het inzicht in die wetten „zou onze notie van de macht van de alwetende Schepper moeten verheffen.”

De vraag of God al dan niet bestaat, ligt buiten de verstandelijke vermogens van de mens, antwoordt hij de Nederlandse student Nicolaas Dirk Doedes. Hij is echter „nooit of te nimmer een atheïst geweest in die zin dat ik het bestaan van God heb ontkend.” Een uitspraak die een fanatieke neodarwinist als Richard Dawkins zal spijten. Darwin: „Ik denk dat ik mijn geestestoestand over het algemeen, en steeds meer naarmate ik ouder word, maar niet altijd, het beste kan omschrijven als die van een agnost.”

Schuldgevoel

Tijdens de Beaglereis is Darwin gezond en ontstellend productief, zowel met zijn handen als met zijn geest. Na terugkeer toont zijn gezondheidsdagboekje het tegenovergestelde: continu vreselijk ziek, zwak en misselijk. Desmond en Moore laten hun patiënt veelvuldig rillen, braken, winden laten, sterretjes zien en hysterisch jammeren. Met zijn „gebrekkige karkas” kan hij vaak niet langer dan twee uur per dag werken. De bedlegerige stumper wordt soms dagenlang geplaagd door steenpuisten en zwellingen. Of zijn „hersenpan en maag” werken tegen. In de nazomer van 1862, 53 jaar, laat hij een lange baard staan, vooral om de eczeemplekken op zijn gezicht te verbergen. Zijn beste vrienden herkennen hem nauwelijks.

Doktoren weten zich geen raad met zijn ziekte. Is het een soort onderdrukte jicht? Zijn vader, een in Leiden afgestudeerde huisarts, schrijft een vleesarm dieet voor en laat hem bittere ”Indian ale” slikken. Darwin, bang dat zijn aandoening erfelijk is, verpoost weken achtereen in modieuze hydrotherapeutische kuuroorden, waar hij zich onder koude douches laat zetten en in natte handdoeken wikkelen. De waterbehandelingen hebben een „verbijsterend herstellend effect”, althans een poosje. Charles experimenteert met bismut en opium, en hangt op advies van een kwakzalver „elektrische kettingen” om zijn middel. En ondertussen wijkt Emma, zijn hoofdverpleegster, bijna geen moment van zijn zijde.

Een specialist op het gebied van spijsverteringsproblemen en psychologische geneeskunde constateert dat Darwin stijf van de spanning staat. „Drie keer daags anderhalf uur ijszakken op uw rug leggen”, luidt zijn advies. Desmond en Moore noemen hem „overwerkt” en maken de lezer met de zinsnede „innerlijke strijd” niet veel wijzer. Natuurlijk is de egocentrische Charles beducht voor de gevolgen van én de kritiek op zijn soortentheorie en bang voor reputatieschade. Beide biografen negeren echter de suggestie van dr. Robert E. D. Clark dat de teruggetrokken geleerde gebukt gaat onder een schuldgevoel. Diens boek ”Darwin Before and After”, dat in 1958 verscheen, ontbreekt in de bibliografie, maar geeft een plausibele aanvullende verklaring voor de oorzaak van Darwins ongerustheid en psychologische stress. „Zijn moeite lag zo goed als zeker in de onderdrukking van zijn godsdienstige noden.” Volgens de auteur is Darwins leven één lange poging om los te komen van God en de kerk. Hoe hij ook probeert Hem te ontvluchten, het lukt niet. Tot het eind van zijn leven houdt dat hem in de greep. Zelfs nadat de evolutie maatschappelijk is aanvaard, duurt zijn psychisch lijden voort.

De Amerikaanse psychoanalist dr. Edward J. Kempf vermoedt eveneens een gewetensconflict en wijst in zijn boek ”Psychopathology” (1920) op een veelzeggend feit: het begin van de ziekteverschijnselen valt samen met Darwins „verschrikkelijke twijfel” aan God en de Bijbel. Hoe dieper hij wegzakt in het moeras van ongeloof, hoe zieker hij wordt. Met zijn zestigste is Darwin al een oude, afgetakelde man.

Laatste woorden

Als de gekwelde invalide denkt te sterven, zoekt hij zijn toevlucht tot religieuze literatuur. De dood treedt op woensdag 19 april 1882 Down House binnen. Darwin, getroffen door een hartaanval, blaast om vier uur ’s middags zijn laatste adem uit. Deed de 73-jarige op zijn sterfbed afstand van de evolutietheorie en zijn agnostische levensovertuiging? Desmond en Moore melden dat over grootvader Erasmus ook werd beweerd dat hij in zijn laatste uren Jezus had aangeroepen. Ze maken geen gewag over een identiek gerucht uit evangelische kring over de inmiddels befaamde kleinzoon. Simpelweg omdat het niet waar is.

Lady Hope verspreidde de leugen over Darwins laatste woorden. De evangeliste beweerde dat ze bij hem was vlak voordat hij stierf en dat hij uitriep: ”Ik wenste wel dat ik nooit mijn evolutietheorie had verkondigd!” Hij zou haar ook gesmeekt hebben een menigte mensen te verzamelen, zodat hij tot hen kon spreken over Jezus en Zijn zaligheid. Darwins dochter Henrietta weerlegde deze leugens al snel: „Lady Hope was niet aanwezig bij zijn laatste kwaal, laat staan tijdens andere ziektes. Ik geloof dat hij haar zelfs nooit gezien heeft.” Darwins werkelijke laatste woorden waren gericht aan Emma: „Ik ben helemaal niet bang om dood te gaan.”

N.a.v. ”Darwin. De biografie”, door Adrian Desmond en James Moore, vertaling Henk Moerdijk; uitg. Nieuw Amsterdam, Amsterdam,
2008; ISBN 978 90 468 0415 5; 976 blz.; 49,95.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek