Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Tussen geschiedenis en verbeelding

 Het verleden komt tot leven als het een gezicht krijgt. Bijvoorbeeld in de vorm van twee Amerikaanse vrouwen, die in 1929 vanwege de beurscrisis geen huis meer hebben en in een tent moeten wonen. Foto AKG
 1 van 3  

Het verleden komt tot leven als het een gezicht krijgt. Bijvoorbeeld in de vorm van twee Amerikaanse vrouwen, die in 1929 vanwege de beurscrisis geen huis meer hebben en in een tent moeten wonen. Foto AKG

Suzanna Jansen en Janne IJmker zijn twee van de sprekers die op 16 mei in Gouda vertellen over hun schrijverschap. Die dag organiseren het Reformatorisch Dagblad, Driestar educatief, uitgeverij Mozaïek, het Christelijk Literair Overleg en de Vereniging voor Christen-Historici een themabijeenkomst over historische verhalen. Alle belangstellenden zijn welkom. Tijdens de themadag worden ook de winnaars van de bijbehorende verhalenwedstrijd bekendgemaakt.

vvv

Suzanna Jansen: Voor elke zin een bron

Waarom schrijft u historische non-fictie?
„Ik heb in ”Het pauperparadijs” voor non-fictie gekozen omdat ik een verhaal uit de werkelijkheid wilde vertellen dat ik belangrijk vind. Ik wilde laten zien hoe armoede van generatie op generatie wordt overgedragen. Er was en is veel schaamte bij mensen die arm zijn, ze worden ook vaak geconfronteerd met vooroordelen, waardoor ze hun armoede moeten verbergen om niet meteen een stempel opgedrukt te krijgen. Ik wilde zichtbaar maken hoe dat werkt, dat doorgeven van armoede, om te laten zien dat er geen reden is je daarvoor te schamen en jezelf kleiner te maken dan je bent. Dat kon, wat mij betreft, alleen door de naakte feiten bloot te leggen. Ik wilde niet dat lezers het verhaal terzijde zouden kunnen leggen met de opmerking „het is maar verzonnen.””

In ”Het pauperparadijs” beschrijft u de geschiedenis van uw eigen familie. Waarom die persoonlijke geschiedenis delen met een groot lezerspubliek?
„Aanvankelijk deed ik alleen voor mezelf onderzoek, uit nieuwsgierigheid. Gaandeweg kwam ik erachter dat de geschiedenis van mijn familie geen particulier verhaal was, maar een breder maatschappelijk verhaal weerspiegelde. Pas toen ik me dat realiseerde en zag dat dit het verhaal was van heel veel families, heb ik besloten het op te schrijven en er een uitgever voor te zoeken.

Wat mij betreft vormen mijn voorouders weliswaar een rode draad in het boek, maar beslist niet de enige. Ik wil vertellen hoe er de afgelopen twee eeuwen is gedacht over armoede en mensen die buiten de boot vallen, wat er is bedacht om hen erbovenop te helpen, maar vooral: wat die goedbedoelde projecten voor effect hebben gehad op de mensen waarvoor ze bestemd waren. Mijn eigen geschiedenis bleek dat glashelder te laten zien, vandaar dat ik ervoor heb gekozen die in dit boek te gebruiken.”

Hoe beperkend is het om je als schrijver aan de historische feiten te moeten houden?
„Het ging mij juist om de historische feiten. Ik vond het elke keer geweldig om iets te vinden, en heel mooi om te zien hoe het verhaal zich aan de hand van die feiten als vanzelf leek te ontrollen.”

Wat voegt u als schrijver toe op het gebied van karakters, gebeurtenissen, setting, persoonlijke toon?
„Hoewel ik niets heb verzonnen, heb ik wel dingen weggelaten en andere gebeurtenissen sterker belicht. Ik heb ook feiten en situaties geïnterpreteerd. Maar door lezers expliciet getuige te laten zijn van mijn zoektocht, kunnen ze zien hoe ik het verhaal heb gebouwd.

Een voorbeeld: omdat ik heel weinig gegevens had over veel van mijn personages heb ik me verdiept in hun tijd en omgeving, en hen daarin geplaatst. Zo suggereer ik dat twee van mijn voorouders elkaar hebben leren kennen op het Kerkplein in Den Haag. Ik weet niet of dat zo is, maar gezien hun adressen leek me dat mogelijk. In de formulering heb ik dat zichtbaar gemaakt: „Het Kerkplein, zo stel ik me voor, was de plek geweest waar Tobias zijn meisje had ontmoet. (…) het plein lag halverweg haar huis en het zijne. Het lijkt me dat de nissen in de voet van de kerk zich leenden voor heimelijk afspraakjes en gestolen kussen.”

Uitzondering vormen de eerste drie bladzijden van mijn boek. Die zijn geschreven alsof ik in de hoofden heb kunnen kruipen van de personages. Maar ook daar heb ik voor elke zin een bron.”

Waar geniet u het meest van, onderzoek doen of schrijven?
„Onderzoek doen vind ik erg leuk. Het enige wat je daarbij hoeft te doen is je nieuwsgierigheid volgen. Als ik eenmaal ergens in gedoken ben wil ik er alles van weten. En als je onderzoek doet voor een boek heb je een mooi excuus om door te gaan tot je nieuwsgierigheid bevredigd is. Schrijven vond ik veel moeilijker. Ik kan genieten van een goeie alinea, maar ik vind ’m niet gauw goed. Bovendien is schrijven eenzaam werk, terwijl je bij onderzoek ook andere mensen tegenkomt.”

”Het pauperparadijs”

„Elisabeth is mijn moeder. Ze is inmiddels de tachtig gepasseerd, toch zijn de littekens van haar jeugd niet verdwenen. Je kunt merken dat ze zich nog altijd schaamt voor haar achtergrond. Ze reageert steevast fel in gesprekken over onrechtvaardigheid of over mensen met geld – voor haar zo ongeveer synoniem. Ik had me er al bij neergelegd dat ik nooit precies zou weten wat daar allemaal achter stak, maar dat veranderde vanaf het moment dat ik op een zondagmiddag mijn ouders hielp bij het opruimen van de zolder. Rommelend in een doos vol documenten viel mijn oog op een gevouwen vloeipapiertje. Er bleek een bidprentje in te zitten met een naam die ik nooit eerder had gehoord.”

Zo beschrijft Suzanna Jansen in ”Het pauperparadijs” het begin van haar zoektocht. In haar familie gaat het gerucht over een voorname afkomst en een misgelopen erfenis. Maar is dat mythe of werkelijkheid? Op zoek naar de feiten stuit de auteur op een verborgen stuk geschiedenis: haar voorouders blijken te zijn blootgesteld aan een uniek heropvoedingsexperiment in de Drentse nederzetting Veenhuizen.

In ”Het pauperparadijs” volgt ze vijf generaties van haar familie, „van bedelaarskolonie Veenhuizen tot wonen-onder-toezicht in de twintigste eeuw.” Daarmee laat ze zien hoe langdurig en ingrijpend de overheidsbemoeienis met de armenzorg mensenlevens gestempeld heeft. Het is een onderwerp dat veel lezers aanspreekt: met ”Het pauperparadijs” veroverde Suzanna Jansen heel Nederland. Van het boek zijn inmiddels meer dan 100.000 exemplaren verkocht.


Janne IJmker: Loskomen van de feiten

Waarom hebt u als schrijver voor historische romans en jeugdboeken gekozen?
„Ik houd van geschiedenis in combinatie met verhalen. Vroeger had ik een meester die prachtig kon vertellen. Als er ’s middags geschiedenis op het programma stond, was ik als een van de eersten in de klas om de klaarhangende schoolplaat te bekijken. We hadden een groepje waarbinnen de afspraak was: Wie het eerst is, mag als eerste een personage van die plaat kiezen. Dat personage volgde je dan, het hele verhaal door. Die fascinatie voor geschiedenis in combinatie met verhalen is me altijd bijgebleven. Mijn eerste jeugdboek ging over geschiedenis, en daarna vond mijn uitgever dat ik maar in die lijn verder moest gaan, voor de herkenbaarheid.”

In ”Achtendertig nachten” beschrijft u het verhaal van Elsjen, een Drentse vrouw uit de achttiende eeuw. Waarom juist haar geschiedenis?
„Iemand maakte mij attent op een berichtje in de krant: bij Assen waren de resten van een galgenveld ontdekt. Daar zou, onder anderen, ene Elsjen Roelofs begraven liggen. Ik las dat, en die naam sprong naar me toe. Elsjen, dacht ik, dat klinkt heel lief, maar ondertussen heeft ze wel haar man vermoord. Hoe valt dat te rijmen? Het is iets waar ik altijd nieuwsgierig naar ben: Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Ik denk niet gauw: Wat achterlijk, hoe kan iemand nu zo zijn? Dus in Elsjens geval werd ik nieuwsgierig, ik wilde haar motivatie achterhalen. De manier waarop ik haar beschrijf blijft natuurlijk door mij ingekleurd, maar haar verhaal is toch ook vanuit de geschiedenis naar mij toegekomen.”

Hoe beperkend is het voor een romanschrijver om zich aan historische feiten te moeten houden?
„In het verhaal van Elsjen ben ik bewust dicht bij de archiefstukken gebleven. Door het proces tegen haar was er tamelijk veel over haar bekend, en die informatie heb ik zo goed mogelijk verwerkt. Maar in het boek waaraan ik op dit moment werk, is dat anders. Het gaat over de zoon van Elsjen, over wie ik eigenlijk maar twee of drie dingen uit de archieven weet. De rest is eigen invulling. Voor mij is dat heel spannend. Het was veiliger om al die gegevens over Elsjen te kennen en binnen dat kader mijn verhaal te vertellen. Ik merk dat ik nu nog steeds op zoek ben naar houvast in historische feiten. Maar ik wil daar wel vrijer in worden. Dat is een hele worsteling voor mij. Het heeft alles te maken met wie ik ben, en wie ik mag gaan worden – ook als schrijver.”

Wat voegt u als romanschrijver toe, op het gebied van karakters, gebeurtenissen, setting, moraal?
„In de archiefstukken verklaart Elsjen Roelofs wel vijf keer over de dood van haar man: „Ik heb hem niet willen vermoorden.” Aan dat gegeven heb ik in ”Achtendertig nachten” vastgehouden. Maar het is natuurlijk mijn keus geweest dat ik haar wil geloven. Ik had ook kunnen denken: Dat zegt ze wel, maar ik geloof er geen snars van. Dergelijke keuzes bepalen natuurlijk voor een groot deel hoe het verhaal verloopt. Verder probeer ik me zo goed mogelijk in te lezen en in te leven, waarbij ook mijn eigen levenservaring een rol speelt. Ik vraag me ook voortdurend af: Hoe wordt het een interessant verhaal? Met archiefgegevens alleen wordt het niet spannend genoeg, die spanning moet je als schrijver aanbrengen – zonder de realiteit geweld aan te doen.”

Waar geniet u het meest van, onderzoek doen of schrijven?
„Als ik in een archief zit, lijkt een uur echt een minuut. Altijd kom ik tijd tekort. Het is fantastisch om processtukken uit de achttiende eeuw zelf in handen te hebben. Maar ik moet er paal en perk aan stellen., het moet wel iets opleveren – anders moet ik ermee stoppen. Op dit moment ben ik vooral aan het schrijven, en dan vind ik het juist weer heel storend als ik tussendoor iets moet opzoeken. Dus het is het een of het ander: of onderzoek doen, of schrijven.”

”Achtendertig nachten”

„‘Laat de eerste getuige maar voorkomen’, zei de landschrijver, kauwend op zijn roggebrood. De schulte stond op en liep naar de deur waarvoor de kerspelsoldaat de wacht hield. Hij overlegde even en keerde terug naar zijn plaats.
Even later stapte er een man de gelagkamer binnen. De landschrijver wees hem de stoel die voor de tafel stond en sprak zijn deelneming uit.
‘Naam?’
‘Luit Roelofs.’
‘Oud?’
‘Zesendertig jaar.’
De ganzenveer kraste over het ruwe papier.
‘Relatie?’
‘Zwager van de overledene, broer van Elsjen Roelofs, de vrouw van de overledene.’
De man bewoog ongemakkelijk, zijn schouders zakten wat in, zag Kymmell.
‘Wat is er in de nacht van elf op twaalf maart gebeurd?’”
In ”Achtendertig nachten” vertelt Janne IJmker het verhaal van Elsjen Roelofs, een Drentse vrouw uit de achttiende eeuw die ervan wordt beschuldigd haar man vermoord te hebben. Omdat ze zwanger is, mag ze in de gevangenis eerst de bevalling afwachten, voordat ze haar vonnis moet ondergaan. Tijdens die periode maakt ze een ingrijpende verandering door, waarvan ze verslag doet in een soort dagboek. Nadat ze haar kindje ter wereld gebracht heeft, wordt ze uiteindelijk veroordeeld en terechtgesteld.
Janne IJmker beschrijft het verhaal vanuit het perspectief van Elsjen, waarbij ze vanuit het (deels gefingeerde) leven van de hoofdpersonen probeert te verklaren hoe Elsjen uiteindelijk tot haar daad gekomen is.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek