Natuurkunde heeft het imago van objectieve wetenschap. De ”Canon van de natuurkunde” heeft dat een stuk minder. Welkom in de subjectieve wereld van de geschiedschrijving.
Sinds het verschijnen van de ”Canon van de Nederlandse geschiedenis” hebben verschillende uitgevers er brood in gezien om een canon te publiceren. Zo ook de uitgever van ”Canon van de natuurkunde”. Aanleiding om het boek uit te brengen waren de 75e verjaardag van het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde en het verschijnen van het 100e deel van de wetenschappelijke bibliotheek van het tijdschrift Natuurwetenschap en Techniek.
De auteurs, onder redactie van Herman de Lang, stellen honderd natuurkundigen voor onder het motto: „Een canon is een manier om te koesteren wat prachtig is.” „Prachtig” blijkt sterk af te hangen van persoonlijke voorkeur en is daarmee allerminst objectief, maar vaak wel leuk om te lezen.
De natuurkunde begint rond 600 voor Christus met Thales van Milete en ontwikkelt zich via de ideeën van Axanimander naar Aristoteles, volgens de auteur een „homo universalis, met een encyclopedische kennis van alle wetenschappen van de antieke wereld.”
Een ander hoogtepunt komt aan de orde met Leonardo da Vinci, die zijn ideeën weergaf in duizend ongenummerde bladzijden. Het is onmogelijk daar enige volgorde in aan te brengen, omdat hij de gewoonte had een studie na tien jaar weer op te pakken, alsof er tussendoor niets was gebeurd.
De echte natuurkunde begint rond 1650 met onder anderen Galileo Galileï, die stelselmatig onderzoek deed naar allerlei natuurverschijnselen, zoals de eenparig versnelde beweging. Hij zong tijdens zijn versnellingsproeven marsliederen om vaste tijdsintervallen te krijgen. Pas na Galileï’s dood zou Christiaan Huygens in 1657 het slingeruurwerk uitvinden.
Huygens had geen hoge pet op van de natuurkundige theorieën van zijn Franse collega René Descartes – bekend van zijn filosofische uitspraak ”Cogito ergo sum” (ik denk dus ik ben). Hij vond dat Descartes in de natuurkunde waandenkbeelden had geuit.
Isaac Newton gaf het wiskundig kloppende wereldbeeld vorm. Zijn vergelijkingen maakten het mysterieuze heelal ineens begrijpelijk. Hoewel het boek Newton bij de grootste natuurkundigen schaart, krijgt hij evenveel ruimte als een onbekende wetenschapper.
Veel bekende wetenschappers, zoals Joule, Curie, Planck, Debye, Einstein, Pauli en Feynman, maar ook onbekendere passeren de revue. Wie kent namen als Casimir, Yang, Bardeen, Maiman, Hewish en Zabusky?
Het blijft verbazing wekken dat iemand als astronoom Johannes Kepler geen apart hoofdstuk toebedeeld heeft gekregen, maar slechts een paar regels in het hoofdstuk over Newton. Hij is immers de onmisbare schakel tussen Nicolaus Copernicus –die wel in een apart hoofdstuk beschreven wordt– en Newton?
Veel onbekendere wetenschappers, die ongetwijfeld nu nog een rol spelen in het natuurkundige onderzoek, komen wel uitgebreid aan bod. Wat moet een lezer met kennis over iemand die een minuscuul stukje natuurkunde verder heeft ontwikkeld? Anderen, die grote natuurkundige theorieën mede op poten hebben gezet, komen er soms bekaaid af.
Het tijdschrift Natuurwetenschap en Techniek organiseerde vorig jaar in Museum Boerhaave in Leiden een verkiezing van ”de grootste natuurkundige aller tijden”. Het werd Albert Einstein. Ook dat is een subjectieve keuze geweest. Zonder Newton was er wellicht nooit een Einstein gekomen. Newton besefte dat hij afhankelijk was van wat anderen voor hem hadden ontdekt. „Als ik verder heb gezien dan anderen, komt dat doordat ik op de schouders van reuzen stond.”
Canon van de natuurkunde. De grootste ontdekkingen en theorieën van 100 belangrijke natuurkundigen, Herman de Lang (red.); uitg. Veen Magazine, Diemen, 2009; ISBN 978 90 857 1235 0; 348 blz.; € 42,50.