De Amerikaanse auteur Meredith Efken stelt een intrigerende openingsvraag bij de introductie van haar nieuwe roman ”Zondagskind”: „Wil je over het randje van de werkelijkheid heen stappen?”
Daarmee kondigt ze een nieuwe richting aan in haar schrijfstijl, namelijk die van het magisch realisme.
Hubert Lampo schreef jaren geleden dat er altijd al auteurs geweest zijn die ernaar streefden „de werkelijkheid te verbinden met het al dan niet uitgesproken bovenzinnelijke, met het geheimzinnige element in het leven van elke dag.” Meredith Efkens gaat echter nog een stap verder. Ze zegt hierover: „Voor mij is het magisch realisme een mogelijkheid om de onzichtbare wereld van iemands geloofsleven uit te leggen, en zijn innerlijke geestelijke leven.” Ze wil laten zien hoe de zichtbare realiteit samensmelt met de magische, onverklaarbare, mystieke wereld, en hoe de interactie tussen deze twee werelden is.
In ”Zondagskind” wordt duidelijk hoe Efken dit uitwerkt. Twee grote verhaallijnen worden met elkaar afgewisseld.
Allereerst is daar het verhaal van Meg Lindsay, een jonge vrouw die ernaar verlangt een meisje uit China te adopteren. Beschadigd en afgewezen als ze is, denkt ze op deze manier een nieuwe start te kunnen maken, en zo geen belastende bagage aan een eigen baby door te geven.
Meg ziet keer op keer allerlei toekomstbeelden. „Ik zag beelden van Lewis, van mij, van Eva. Afbeeldingen van wat nog niet gebeurd was. Dingen die alleen God kon weten.” Soms ziet ze onzichtbare rook, dan weer een draak of kraanvogels. Sterren veranderen in rijen Chinese voorouders die Meg verwelkomen als moeder. Na een diepe innerlijke worsteling hoort ze zachtjes een moederlijke stem door de lucht, die zegt: „Goed zo, Meg.”
De tweede verhaallijn begint in China. Daar wachten twee kleutertjes in een pleeggezin op adoptie. De kleine Zhen An heeft een schisis, en haar vriendinnetje Wen Ming is nagenoeg blind. Zhen An wordt geadopteerd door Meg, maar Wen Ming moet achter blijven. Ook zij krijgt visioenen en beelden. De laatste nacht voordat ze helemaal blind zou worden, wordt ze gewekt door „een diepe, gruizige stem” van een dier met golvende, zwarte en zilveren schubben. Net een draak zonder hoornen. „Ik ben dat wat er gebeurt. (…) Ik ben geen demon, Wen Ming. Of ik goed of slecht ben, hangt af van jouw reactie op mij.”
Wat te denken van een oude onzichtbare vrouw die opduikt in het verhaal, zowel bij Meg als bij Wen Ming? Ze doet uitspraken zoals: „Vertrouw me maar, bij mij ben je veilig.” Ze fungeert als type van Christus en beoogt genezing en herstel. Een voorbeeld. Wanneer Wen Ming is weggelopen, en met bebloede handen bij haar zit. Ze moet haar handen tegen die van de vrouw leggen. Nadat ze een gevoel krijgt alsof haar huid in brand staat, zijn haar handen geheeld, en die van de vrouw bebloed. „„Liefde neemt de last en zorgen over. Rust nu maar uit.” En haar liefde stroomde het lichaam van Wen Ming binnen.”
”Zondagskind” is op zich een knap geschreven roman. Meredith Efken laat op een indringende manier de hechtingsproblematiek zien waarmee volwassenen en adoptiekinderen te maken kunnen hebben. Ze schildert het leven in China met kleurige beelden, maar verbindt daar een bovennatuurlijke, magische werkelijkheid aan. Ze gebruikt haar kennis van de Bijbel om personages en beelden in te kleuren en vorm te geven. Woorden klinken vertrouwd, maar worden door Efkens anders bedoeld. Deze dubbele laag in ”Zondagskind” maakt dat het boek misleidend is en heel kritisch gelezen moet worden.
Boekgegevens
”Zondagskind”, door Meredith Efken; uitg. Voorhoeve, Utrecht, 2011; ISBN 978 90 297 9659 0; 332 blz.; € 19,95.