Ophouden te bestaan

Ophouden te bestaan -  Daklozen die zich inspannen om uit het circuit te komen, worden geconfronteerd met tal van problemen. Op hun sollicitatiebrief kunnen ze geen eigen adres vermelden. Als ze op sollicitatiegesprek gaan, is hun kleding niet optimaal, omdat ze die niet netjes kunnen houden zonder eigen klerenkast of strijkbout. Foto RD, Henk Visscher

Daklozen die zich inspannen om uit het circuit te komen, worden geconfronteerd met tal van problemen. Op hun sollicitatiebrief kunnen ze geen eigen adres vermelden. Als ze op sollicitatiegesprek gaan, is hun kleding niet optimaal, omdat ze die niet netjes kunnen houden zonder eigen klerenkast of strijkbout. Foto RD, Henk Visscher

Titel: ”Dit is geen dakloze” Auteur: Wytske Versteeg Uitgeverij: Lemniscaat, Rotterdam, 2008 ISBN 978 90 477 0037 1 Pagina’s: 199 Prijs: € 17,50.

„Het spiegelbeeld van de dakloze is juist zo verontrustend omdat het zo schimmig blijft. Je kunt je bijna niet voorstellen dat zo iemand vroeger ook piloot, brandweerman of beroemd kon worden - en dat hij dat soms ook is gewéést”, schrijft Wytske Versteeg in haar debuut ”Dit is geen dakloze”. „Ja, je kunt het jezelf misschien wel voorhouden, maar je gevoel blijft protesteren. Het is alsof de dakloze in een andere categorie valt.”

”Dit is geen dakloze” prikkelt. Alleen al door de omslag. Er ligt een man op straat, z’n hoofd op een stuk karton. Zo te zien slaapt hij. Op de stoep waar hij ligt, staat de titel van het boek geschreven: Dit is geen dakloze. Wat is hij dan wel, vraag je je af. Op straat slapen immers alleen daklozen. Toch?

Versteeg neemt de lezer mee in de wereld van dak- en thuisloosheid. Het gaat over status en hulpverlening, over verslaving en stad, maar vooral: over mensen. Over mensen die geen huis hebben, maar net zo goed over mensen die wél een huis hebben. De spannende vraag is hoe mensen mét huis omgaan met mensen die dat niet bezitten. De vooroordelen zijn maar al te bekend. „Ze zorgen alleen maar voor overlast!” en „Hadden ze maar een echt vak moeten leren!” Op deze en meer van dergelijke redenaties gaat de auteur uitgebreid in.

Het voorbeeld is even herkenbaar als confronterend: iemand staat op het punt om de winkel in te gaan om boodschappen te doen, en bij de deur staat de straatkrantverkoper. Hij heeft echter geen zin om een straatkrant te kopen en loopt door. Erger nog, hij wil helemaal niet zien wie de straatkrantverkoper wérkelijk is. Juist dat ”niet kijken” van voorbijgangers is een van de meest frustrerende dingen voor een dakloze. Hij wordt sociaal uitgesloten. Niet een keer, maar talloze malen. „En wie consequent genegeerd wordt, houdt op te bestaan.” Het is een van de vele rake typeringen die tot nadenken stemmen.

Gelijkwaardig

Dat mensen een dakloze negeren, heeft ongetwijfeld te maken met de verhouding tussen daklozen en niet-daklozen. Hoe sta ik in verhouding tot die dakloze? Zie ik die ander werkelijk als een medemens, als iemand die gelijkwaardig is aan mij? Die zijn eigen keuzes maakt en beslissingen neemt? In dat geval zouden we er geen probleem van maken als de straatkrantverkoper een biertje van zijn zelfverdiende geld koopt. In de praktijk blijkt echter dat we daar toch wel moeite mee hebben. Hij kan het geld immers veel beter besteden, vinden we. „Maar”, houdt de auteur ons voor, „waarom zou ik beter in staat zijn om de prioriteiten van de ander te bepalen dan hijzelf?” Dat geldt voor de bakker, waar we wekelijks komen; en zou dat dan anders liggen voor een straatkrantverkoper? Het blijven lastige dilemma’s waarop een vlot antwoord niet zomaar is te geven.

Hoewel ze gelukkig minder worden, zijn er nog steeds mensen die menen dat het niet nodig is om dakloos te raken in Nederland. En als je er dan eenmaal toch inzit, zeggen ze, moet je er gemakkelijk uit kunnen komen, gezien de vele voorzieningen die er zijn. De auteur laat ons een ander beeld zijn. Ze legt er de vinger bij dat daklozen kunnen lijden aan de zogenaamde bestaansziekte. „Dat is wanneer het zinloos en onmogelijk lijkt erover na te denken waar je over een week, maand of jaar zou willen zijn. Wanneer alle keuzemogelijkheden verdwenen lijken, een effect dat al heel snel optreedt door het ongemak, de vernedering, de zinloosheid en de verveling die horen bij het dakloze bestaan.” Ik vraag me af of wij werkelijk kunnen invoelen wat dit betekent. Wij, met onze volle agenda’s en ons altijd maar druk zijn.

Daklozen die zich inspannen om uit het circuit te komen, worden geconfronteerd met tal van problemen. Op hun sollicitatiebrief kunnen ze geen eigen adres vermelden. Als ze op sollicitatiegesprek gaan, is hun kleding niet optimaal, omdat ze die niet netjes kunnen houden zonder eigen klerenkast of strijkbout. Het zijn zúlke basale dingen die wij ruim voorhanden hebben, dat we er nauwelijks over nadenken dat dit bij daklozen zo geheel anders ligt.

Positieve ontmoeting

Een goede maatregel om vooroordelen tegen daklozen te laten verdwijnen, is daklozen en niet-daklozen met elkaar in aanraking brengen. De auteur had een dergelijke ervaring in een opvangcentrum in een dure wijk in Amsterdam. Een buurtbewoner die was uitgenodigd, was verbaasd over het ’normale’ uiterlijk van de bewoners. Ze voldeden helemaal niet aan het beeld dat hij zich van daklozen had gevormd. Goed om te onthouden als er in onze omgeving een opvangcentrum wordt geopend.

”Dit is geen dakloze” geeft een goed beeld van de leefwereld van dak- en thuislozen. Nog veel meer houdt het ons een spiegel voor hoe wij dak- en thuislozen zien en hoe wij met hen omgaan. Jammer dat er een enkele keer grove taal wordt gebruikt en Gods naam onnodig wordt genoemd. Want het in de spiegel kijken is beslist ontdekkend en verrijkend.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels