Het boek bevat veel goede uiteenzettingen, over het Griekse denken, scholastiek, reformatie, christelijke wijsbegeerte, postmodernisme en nog veel meer interessante zaken. De schrijver vervalt niet in de opsomming van een duizelingwekkende feitenreeks. Hij beperkt zich tot hoofdzaken en grote ontwikkelingslijnen, bezien vanuit christelijk perspectief. Daar komt bij dat hij zich bedient van helder taalgebruik; filosofische vaktermen worden uitgelegd. De auteur is erin geslaagd een toegankelijke inleiding te schrijven. Dat kan van betekenis zijn voor ieder die van hem les heeft (gehad). Maar ook voor een bredere kring van geïnteresseerden is zijn boek geschikt.
Opmerkelijk is dat Oele bij de bespreking van de renaissance niet nadrukkelijk wijst op de Midden-Italiaanse oorsprong (Florence!). Ook zet hij humanisme en renaissance min of meer los naast elkaar neer, terwijl het om een vervlochten geheel gaat, te karakteriseren als een culturele herleving met de klassieke oudheid als belangrijke inspiratiebron.
Het valt ook op dat de auteur snel is met evaluerende kanttekeningen. Daardoor krijgt de renaissance nauwelijks de kans zich voor te stellen. Het is een risico van het werken met grote lijnen dat al gauw gedacht wordt vanuit de latere ontwikkelingen. De blik van de onderzoeker is dan meer finalistisch (zo is het gegaan) dan possibilistisch (de nog open toekomst).
De geschiedenis van de filosofie is veelomvattend. In een overzicht van 311 bladzijden kunnen niet alle belangrijke stromingen en figuren een plaats krijgen. Aan een selectie valt niet te ontkomen. En iedere selectie is aanvechtbaar. Het valt op dat figuren als Levinas (1906-1995), Foucault (1926-1984), Derrida (1930-2004) en Rorty (1931-2007) ontbreken; Habermas (1929) wordt alleen genoemd. Toch is bijvoorbeeld Levinas met zijn kritiek op de westerse filosofie en het christendom van belang. In zijn visie is het christendom als gevolg van egocentrisme gedenatureerd tot behoeftegodsdienst, terwijl godsverlangen kenmerkend zou moeten zijn. In dit boek over ware wijsheid zou een uiteenzetting daarover goed passen.
Hetzelfde geldt voor Rorty. Oele eindigt zijn bespreking van het pragmatisme van de Amerikaanse filosofen John Dewey en William James met: „Het sluit aan bij het postmoderne levensgevoel.” Deze constatering kan worden uitgewerkt via de neopragmatist Richard Rorty, ook een Amerikaan. Voor hem was er slechts één werkelijkheid: het maatschappelijk leven van alledag, de ”context”. Ten aanzien van kennis erkende hij één maatstaf: Voorziet de kennis in de behoeften van de samenleving? De beslissende vraag was: Wat kan ik ermee? Zo kwam hij tot zijn centrale stelling: Wáár is, wat werkt. Het praktisch nuttige is dé waarheid. Er is geen hogere waarheid, er is geen diepere zin. De invloed van Rorty is krachtig aanwezig in de hedendaagse tijdgeest.
Oele meldt dat voor een neopositivist de uitspraak ”God bestaat” „onzinnig en zinloos” is. Daarna schrijft hij over Ludwig Wittgenstein (1889-1951) dat hij „twee verschillende filosofieën heeft ontwikkeld: het neopositivisme en de taalanalytische filosofie.” De verbinding van Wittgenstein met het neopositivisme is niet juist. Hier is sprake van een misverstand. De veroorzakers zijn de filosofen van de Wiener Kreis en de romanschrijver W. F. Hermans (1921-1995). Zij hebben het vaktermkarakter van de begrippen ”zinvol” en ”zinledig” veronachtzaamd.
”Zinvol” staat voor: gevuld met empirisch te verifiëren (toetsbare) gegevens. Een voorbeeld is een uitspraak op basis van een natuurwetenschappelijke proef. Zo’n uitspraak is te toetsen. Een ”zinledige” uitspraak daarentegen is ‘leeg’ aan empirisch te verifiëren gegevens. Een voorbeeld daarvan is: God is de Schepper van de wereld. Deze uitspraak is niet te toetsen. Wittgenstein concludeerde dat de inhoud van de godsdienst ”zinledig” is, en dat het daarom niet mogelijk is over God en de zin van het leven op (natuur)wetenschappelijke wijze te theoretiseren.
Daarmee degradeerde hij godsdienstige uitspraken niet tot onzin. Integendeel: „Wij voelen dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensproblemen nog helemaal niet zijn aangeroerd” (Tractatus, stelling 6.52).
Een enkele keer is er sprake van een vergissing of tegenstrijdigheid. Zo laat de schrijver de regeringsperiode van Lodewijk XIV beginnen in 1689, terwijl het juiste jaartal 1661 is. Hegel noemt hij een seculier filosoof, terwijl hij ook noteert: „Bij Hegel staat God of het absolute op de eerste plaats.” Over Sartre meldt hij: geeft „colleges aan verschillende universiteiten...” Dat is niet juist. Voordat Sartre van zijn pen kon leven was hij lyceumleraar filosofie. Hij had een afkeer van de gebruikelijke wetenschapsbeoefening: „Professoren? Het is bijna altijd –in mijn tijd ook al– een meneer die een proefschrift heeft geschreven en dat de rest van zijn leven blijft opzeggen.”
”Ware wijsheid” bestrijkt een uitgebreid vakgebied. Daarom ligt het voor de hand dat er wensen overblijven ten aanzien van de volledigheid. De bedoeling van de auteur is inzicht te geven „in de grote doorgaande lijnen in de geschiedenis van de wijsbegeerte.” Daarin ligt inderdaad de kracht van het boek. Velen zullen de schrijver daarvoor erkentelijk zijn.
Ware wijsheid. Inleiding in de wereld van geloof en wijsbegeerte, dr. P. C. Oele;uitg. De Banier, Apeldoorn, 2009; ISBN 978 90 336 2992 1; 311 blz.; € 18,90.