De aanwezigheid van de gebedsgenezeres aan het hof deed de Nederlandse monarchie in de jaren vijftig op haar grondvesten schudden. Niet voor niets gaf Giebels zijn boek de ondertitel mee: ”Hoe de Nederlandse monarchie bijna ten onder ging”. Dat is niet onderdreven. Het heeft de regering en de mensen rond de troon veel moeite gekost om het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard te redden, zo laat Giebels in zijn vlot geschreven boek zien. Het is verbazingwekkend dat het zover heeft kunnen komen, dat een eenvoudige vrouw als Greet Hofmans zo veel invloed kon krijgen in de hoogste kringen.
De in een Amsterdamse volksbuurt opgegroeide Hofmans is al jong „op zoek naar de zin van het bestaan”, aldus Giebels. Zij komt in aanraking met de Theosofische Vereniging, die regelmatig bijeenkomsten houdt op het landgoed Eerde bij Ommen. Hofmans ontpopt zich als een medium dat „de meest bizarre boodschappen” moet doorgeven van een overleden theosoof, M. Exler, zo houdt ze iedereen voor.
Exler woonde enige tijd in Hattem. Zo komt Hofmans in contact met de Hattemse baron Walraven van Heeckeren van Molecaten. Op het landgoed van de adellijke familie krijgt zij zelfs een onderkomen. In het dorp begint zij gebedsgenezingssessies en ze presenteert zich na enige tijd als persoonlijke boodschapper van Christus. Het doen en laten van Hofmans laat volgens Giebels zien dat zij psychose schizofrenie heeft.
Prinses Marijke
Prins Bernhard hoort naar eigen zeggen in 1947 of 1948 van Hofmans. Dat gebeurt via de bevriende generaal H. Koot, die familie is van de Van Heeckerens van Molecaten. De prins is geïnteresseerd omdat zijn jongste dochter, prinses Marijke, een ernstige oogkwaal heeft.
Kort voor de troonsbestijging van prinses Juliana in 1948 maakt Greet Hofmans voor het eerst haar opwachting op Paleis Soestdijk. Zij zegt van Christus te hebben gehoord dat „niet alleen het slecht functionerende rechteroog van prinses Marijke zal genezen, maar dat zelfs het dode linkeroog weer tot leven zal komen.”
Tussen Hofmans en de koningin groeit al snel een hechte band. Hofmans wordt volgens Giebels een vertrouweling van de vorstin. „De verwachtschap berustte op twee pijlers: hun spiritueel gebonden godsvertrouwen en hun beider, religieus gefundeerde, pacifisme”, stelt de auteur.
Koningin Juliana benoemt in de jaren daarna in hoge functies aan het hof verschillende mensen die ook onder de indruk van Hofmans zijn. Zo wordt baron Walraven van Heeckeren van Molecaten haar particulier secretaris en zijn moeder grootmeesteres.
Prins Bernhard ziet deze ontwikkeling met argusogen aan. „Het begon allengs tot Bernhard door te dringen dat hij met de gebedsgenezeres het paard van Troje had binnengehaald.” Hij gelooft na enige tijd niets meer van haar gave om te genezen en wijst haar de deur, maar dat betekent niet het einde van haar invloed. Integendeel. Giebels toont aan dat ook latere redevoeringen van de koningin beïnvloed lijken te zijn door Hofmans’ gedachtegoed.
Greet Hofmans speelt in deze tijd ook een grote rol op de conferenties die in het Apeldoornse kasteeltje het Oude Loo worden gehouden. Koningin Juliana is een trouw bezoekster van de pacifistische, oecumenische bijeenkomsten.
De linkse boodschap die er klinkt, trekt de aandacht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Het kabinet spreekt erover om in te grijpen, de koningin wordt gewaarschuwd. Maar daar blijft het bij. „Door het allemaal te laten betijen, kreeg het kabinet steeds minder greep op koningin Juliana”, concludeert Giebels in zijn zeer gedegen beschrijving van de Hofmansaffaire, die hij zelf overigens liever de kwestie Soestdijk noemt.
De regering doet wel alles om de spanningen op het paleis buiten de Nederlandse pers te houden. Prins Bernhard heeft echter vrienden bij buitenlandse kranten. Pogingen om die artikelen tegen te houden lukken uiteindelijk niet meer en zo sijpelt het nieuws toch door. Nederland is geschokt.
Scheiding
De sfeer in het paleis raakt steeds verder „vergiftigd” door lasterverhalen over en weer tussen de koningin en haar man. Er ontstaan twee kampen: koningin Juliana en haar aanhangers, en aan de andere kant prins Bernhard en zijn oudste dochters. Op het dieptepunt communiceren de kampen alleen nog met briefjes. Koningin Juliana begint op een echtscheiding aan te sturen.
Daar schrikt de regering pas echt van: scheiden is onmogelijk, omdat prinses Beatrix nog maar zeventien is. Als troonopvolgster zal zij haar vader als regent moeten meebrengen. En dat zal het volk niet accepteren, want Juliana is erg populair.
De regering grijpt in door een commissie onder leiding van oud-premier Beel te benoemen. Giebels -die eerder een biografie over Beel schreef- behandelt uitvoerig hoe de commissie te werk gaat. Het wordt er op deze bladzijden niet spannender op, maar voor de liefhebber van het staatsrecht is het smullen.
De commissie werkt op een verzoening aan, maar vooral de koningin geeft niet zomaar toe. Pas begin 1957 keert de rust weer, na de benoeming van nieuwe hovelingen en het verbreken van het contact met Hofmans. Omstanders verbazen zich erover hoe snel de vrede terugkeert.
Depolitiseren
Giebels’ boek draait uit op een pleidooi voor het ceremonieel koningschap. „Wil men de monarchie en parlementaire democratie met elkaar laten accorderen, dan dient onze constitutionele monarchie te worden gedepolitiseerd”, is zijn conclusie. Regering en koningin -hoofd van de regering- waren tijdens de affaire elkaars gegijzelden, vindt Giebels.
De koning moet geen rol bij kabinetsformaties meer spelen, geen voorzitter van de Raad van State zijn en geen wetten ondertekenen, stelt Giebels. Hij verwijst daarbij naar het Zweedse model. Geen originele gedachten. Al vaak is dit pleidooi gevoerd.
Giebels ziet alleen maar voordelen in het ceremonieel koningschap: de koningin of koning hoeft minder te overleggen met ministers, kan een kleinere staf hebben, kan meer tijd besteden aan de rol van samenbindend staatshoofd en heeft geen last meer van de ministeriële verantwoordelijkheid. Het ceremonieel koningschap is de kans voor koning Willem IV om populair te worden, concludeert Giebels.
Veel stabiliserende invloed op het politieke en het bestuurlijke proces kan de vorst dan echter niet meer hebben. De koning -nota bene het staatshoofd- als toeschouwer van zijn eigen regering, dat is toch ook een farce.