In het stadshart -waar de VVV prima plattegronden verkoopt- ligt de rijkelijk gesorteerde boekhandel van Adr. Heinen, onderdeel van de keten Selexyz. Drie verdiepingen vol gerijpte geestesproducten - een waar eldorado. Maar het ”modern antiquariaat” dat erbij hoort, is klein. ”Otten” in combinatie met ”olifanten” levert geen enkele treffer op. Het wonder zal niet bij Adr. Heinen vandaan moeten komen. „Maar er zijn hier nog meer antiquariaten”, troost een vriendelijke vrouw.
Ottenloos verlaat ik de zaak. Niet getreurd: Den Bosch beschikt elders vast over het werkje dat verlicht Nederland op z’n achterste benen heeft doen staan, nog geen acht jaar geleden. „Kom terug, WJ!” smeekte de rabiate godloochenaar Rudy Kousbroek in NRC Handelsblad toen WJ een betere verlichting ontdekte. Otten werd een „amenzegger”, en keerde zich in zijn essay fel tegen de „Nietsers”: zij die koste wat het kost vasthouden aan een compleet niets na de dood - en ontegenzeggelijk daar hun troost uit scheppen.
Bettie Boek
Het is misschien nog wat vroeg, maar een pomodoritomatensoepje met knapperige Italiaanse broodjes voor 3,75 laat ik niet staan. Het terras biedt bovendien uitzicht op de Sint-Janskathedraal. En dat is, ook nadat de Beeldenstorm de kerk trof, een prima uitzicht.
Het Brabant Antiquariaat. Een écht antiquariaat, met de bijbehorende muffe lucht van oude tot stokoude boeken. Maar geen Otten. De goedlachse, ietwat gezette eigenaar is bereid zijn kast er voor de zekerheid nog eens op na te lopen. „Maar eigenlijk hoeft dat niet, want zo’n aparte titel onthoud ik wel.”
„Het is de auteur die twee jaar geleden de Libris Literatuurprijs kreeg voor ”Specht en zoon””, probeer ik nog. De eigenaar slaat zijn handen in wanhoop voor zijn gezicht. Zijn brilletje danst op zijn grijze krullen. Olijk kijkt hij tussen zijn vingers door. „Wat erg. Ik heb nog nooit van hem gehoord.”
„U bent vast beter in oudere boeken”, doe ik een onbeholpen poging tot troost. Maar wie moet nu eigenlijk wie troosten? Willem Jan Otten, in een door en door katholieke stad. Dat moet toch niet onmogelijk zijn?
Gelukkig zit Bettie Boek om de hoek. Bettie is me in eigen persoon behulpzaam. Bij haar geen tekenen van wanhoop; ze toont zelfs blijken van herkenning bij het horen van de naam van de auteur - maar olifanten heeft ze niet. En zeker geen losse.
Escape
Ergens past het wel bij Otten, om een onvindbaar boekje te schrijven. Eén keer heb ik het gelezen, enkele jaren terug. Nu moet ik het vooral van mijn herinnering hebben. Nu ja, ik heb nog een paar A4’tjes, beduimeld en hier en daar slecht leesbaar. Kopieën. Maar het boekje zélf… moet ik dan volstaan met in zijn bestaan te gelóven, zoals Otten gelooft in het wonder van de losse olifanten? Dat weiger ik. Het papier wil ik ruiken, de bladzijden wil ik tussen mijn vingers voelen ritselen.
Een gelovige vreest de verdwijning van zijn geloof. (…) In die zin zijn, zodra je verdort, de afzonderlijke geloofsartikelen waar het Credo uit bestaat onbegrijpelijk lege formuleringen. Zonder aan het lot en de roeping en het lijden te denken van degene op wie ze betrekking hebben, zijn ze even ongerijmd als spinnenwebben op Groenland. Het is een gelovige volmaakt bekend dat de zinsnee ”is geboren uit de Maagd Maria en ontvangen van de Heilige Geest” hetzelfde betekent als: plokdewiepie boeren kulk. Het verbijsterende is alleen dat er momenten zijn geweest, en dus ook: dat er herinneringen aan deze momenten bestaan, waarop de zinsnee op een heuse werkelijkheid betrekking had, en die zelfs leek te bevatten, en over te hevelen of te radiëren.
In de tijd dat ik het boekje las, bestudeerde ik ook een werkje van Francis Schaeffer: ”Escape from reason”. Die twee zouden flink in de clinch hebben gelegen als ze elkaar hadden ontmoet. Christus die in de verbeelding tot leven komt? Het Credo zonder iemand die er in gelooft een verzameling lege formuleringen? „Ik geloof überhaupt niet in letterlijkheid”, zegt Otten -letterlijk- in zijn essay. Het is geschíéd, stelt Schaeffer daar tegenover. Het Evangelie werd werkelijkheid in deze geschiedenis, en is tot op zekere hoogte zelfs verifieerbaar. Jezus Christus hééft geleden, Hij ís opgestaan!
Manmoedig zoek ik verder.
De Slegte maar eens proberen. Ik kan me niet voorstellen dat ik daar succes heb, want ik heb daar al een jaar een zoekopdracht liggen voor dit boek. Maar ach, De Slegte is altijd genieten. Beneden liggen tamelijk nieuwe essays: van Arnold Heumakers, van Kees Fens. Zou het…? Maar geen Otten. Hij staat ook niet in de computer, maar dat zegt niets bij De Slegte. Tweedehands titels staan daar sowieso niet in.
Boven, bij de tweedehands uitgaven, denk ik het alsnog te treffen: ik stuit op een afdeling ”Religieuze essays”, een paar planken vol nog wel. Dat is het precíés!
Maar daar denken de losse olifanten anders over. Ongrijpbaar zijn ze. En dat blijven ze vooralsnog.
Achter het stadhuis trakteer ik mezelf op een Twister. De waterijsjes vormen ongetwijfeld een rage onder de plaatselijke jeugd, want verschillende keren wijzen kleintjes met ontzag naar mijn versnapering, die, dat zij toegegeven, wat fors bemeten is. Geen enkele moeder laat zich echter overhalen tot de aankoop van een Twister. Wat blijft, zijn onverholen jaloerse blikken.
Léviathan
Wat is ”1984” van George Orwell ongelofelijk vaak uitgegeven! Hij staat in de meeste winkels dicht bij Otten - of zou daar althans dichtbij moeten staan. In sombere uitvoeringen, in egaal witte vorm en zelfs in een ongepast frivole kleuruitspatting. Ook antiquariaat Twaalfmorgen heeft ze in soorten en zelfs maten - dikker en dunner, ik vraag me altijd af hoe dat kan bij één en hetzelfde boek. Maar ook hier geen olifanten in de buurt van Orwell. De rijk gesorteerde boekhandel heeft wél verschillende andere titels van Otten. En ik vind ook ”Léviathan” van Julien Green, de protestants opgevoede en katholiek geworden Frans-Amerikaanse romancier die altijd een trouw Bijbellezer bleef - alhoewel ook het boeddhisme hem wist te bekoren. Otten haalt hem aan in zijn ”Olifanten”, bijna op het eind.
Vijftig jaar geleden schreef Julien Green in zijn Journaal: „Ik geloof dat wij door ons verlangen en door alle onvoorzichtige uitspraken die wij elke dag doen, iets, nee, iemand scheppen, het leven geven aan een onzichtbaar persoon, die altijd bij ons is en zich met ons voedt. Ik geloof ook dat wij in het schemerige ogenblik tussen waken en slapen die vreemde persoon soms kunnen zien.”
Ik laat Green in de kast staan - ik vind de wereld zonder diens waanvoorstellingen soms al beklemmend genoeg. Misschien later, als ik groot ben.
Zuivere marmeren stad
„Laat ons in deze zeer zuivere marmeren stad de torens tellen, onze lippen warmen tegen muren en tegels; laat ons wonderlijke woorden spellen tussen twee teugen zon”, zo overweegt een beschilderde muur als ik weer naar buiten stap.
Er zit weinig anders op. Twaalfmorgen was mijn laatste hoop. Dus slenter ik naar de overweldigende Sint-Janskathedraal, waar Otten zich zeker thuis zou voelen. De torentjes van het majestueuze godshuis zijn overigens nog niet zo eenvoudig te tellen: ze strekken zich uit in menigte.
Ik neem een laatste teug zon en stap in de trein. Tussen de stations spel ik vanaf mijn verpauperde kopietjes de wonderlijke woorden.
Ik hoef u de naam niet meer te noemen van degene die door christenen, met hun rites, liturgieën, gebeden, hymnen, exegeses, navolgingen, maar meestal: halve, schuwe, onbegonnen gedachten, wordt geschapen.
Scheppende gedachten - of toch meer dan dat? In mijn hoofd worden de vodjes in mijn handen een mooi boekje, zelfs met een fraai kaftje eromheen. Maar dan verstoort de conducteur een mooie droom.
En toch blijf ik in het concrete bestaan van het boekje geloven. Otten zal het me vast niet euvel duiden.
Dit is het vierde deel van een serie zoektochten naar boeken.
Ottens wonder
Eind jaren negentig maakte Willem Jan Otten de overstap naar het christelijk geloof. Als verantwoording voor die stap schreef hij zijn rede ”Het wonder van de losse olifanten”, die hij in november 1999 uitsprak aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Het essay heeft als ondertitel ”Een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie”. Daarmee zoekt hij aansluiting bij de vrijwel gelijknamige rede die de Duitse romantische theoloog Friedrich Schleiermacher precies 200 jaar eerder publiceerde – een rede die, in tegenstelling tot die van Otten, nog steeds verkrijgbaar is.
Otten verwijst met de titel van het ”Het wonder van de losse olifanten” naar een ervaring die hij had als 7 jarige jongen in Amsterdam. Aan de andere kant van de Ringdijk –waar hij helemaal niet mocht komen– zag hij tussen de bosjes olifanten. Vier of vijf olifanten, loslopend „alsof ze reigers waren en zouden gaan en staan waar zij wilden.”
Het bleken circusolifanten te zijn. Willem Jan werd niet geloofd toen hij zijn versie van de waarheid vertelde, maar bleef, gezien zijn eigen ervaring, overtuigd van de waarheid ervan.
Dit „primaat van de subjectiviteit”, zoals hij het zelf noemt, is een dragende pijler onder het essay, en trouwens ook onder het verdere werk van de christelijke auteur.
De seculiere wereld had veel kritiek op Otten na diens overstap naar het christelijk geloof. Toch telt zijn werk nog volop mee, zoals blijkt uit de toekenning van de Libris Literatuurprijs in 2005 voor zijn boek ”Specht en zoon”. Ook mocht Otten vorig jaar in het maandblad M van NRC Handelsblad een jaar lang zijn –vaak christelijke– helden voor het voetlicht brengen.
Tips
’s Hertogenbosch is een van de oudste middeleeuwse steden van Nederland, met een centrum dat relatief goed bewaard is gebleven. De VVV aan de Markt heeft allerlei informatie over het centrum. Leuk detail: de dienst is gevestigd in het oudste bakstenen huis van Nederland.
Den Bosch heeft twee standbeelden van beroemde inwoners: zoete lieve Gerritje –naar het bekende kinderliedje– en de vijftiende eeuwse schilder Jeroen Bosch, die in de stad is geboren. Zijn geboortehuis is nog steeds te bewonderen.
Een absolute must tijdens een bezoek is de Sint Janskathedraal, een rijkversierd toonbeeld van de Brabantse gotiek in Nederland. De rijkdom aan beeldhouwwerk is zelfs uitzonderlijk te noemen voor Nederland. De kathedraal, gebouwd tussen 1380 en 1529, is vrij toegankelijk en is nog in gebruik als rooms katholiek bedehuis.
De mooiste en meest uitgebreide antiquariaten van Den Bosch zijn Twaalfmorgen Boekhandel aan de Kruisstraat 2 en het Brabant Antiquariaat aan de Lange Putstraat 14. Het antiquariaat Luïscius aan de Triniteitsstraat 3 heeft zich gespecialiseerd in kunst en is alleen op afspraak open.