Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Lichtpuntjes in de gebrokenheid

 1 van 7  

Worstelen met levensvragen, en toch iets laten zien van de liefde van Christus. Dat is de bijna onmogelijke opdracht die schrijvers van christelijke literatuur zichzelf stellen. Geen wonder dat ze in hun verhalen vaak benadrukken dat God het menselijk begrip ver te boven gaat. „Kan het zijn”, schrijft Janne IJmker, „dat Hij ons, langs dwaalwegen, die we zelf ingeslagen zijn, toch laat uitkomen waar Hij ons uiteindelijk hebben wil?”
Schrijvers van christelijke literatuur willen de werkelijkheid weergeven, hoe rauw, hoe onbegrijpelijk ook. Maar tegelijkertijd kunnen ze daar, vanuit hun diepste levensovertuiging, ook weer geen genoegen mee nemen. Wie gelooft dat Christus is opgestaan, kan toch niet anders dan ook een beetje hoop hebben, een lichtpuntje aanwijzen, ergens. Zonder het lijden te bagatelliseren, zonder de werkelijkheid te versimpelen, zonder al te goedkope troost te bieden.

Dat laatste zal natuurlijk het streven zijn van iedere christelijke schrijver, en daarom is het nog niet zo makkelijk om het verschil aan te geven tussen deze boeken en de Amerikaanse en Nederlandse christelijke romans die eerder in deze serie aan de orde kwamen. Dat verschil heeft vooral te maken met het gevoel dat ze bij de lezer weten op te wekken. Christelijk-literaire verhalen zijn minder voorspelbaar, ze lopen op verhaalniveau minder goed af, ze zijn verdrietiger, confronterender, minder ”feel good” en minder ontspannend. Maar ze geven je meer het gevoel dat het hier over de échte werkelijkheid gaat.

Onbevangenheid
Hoe dat komt? Beter schrijverschap, dat in elk geval. Maar ook: grotere onbevangenheid. Deze auteurs zijn minder bang om onverantwoorde vragen te stellen, minder eropuit om te voldoen aan theologische of kerkelijke kaders. Heel typerend is bijvoorbeeld het volledig ontbreken van discussies over kerkelijke verschillen, over lange broeken en televisie en internet en cafébezoek - dat zijn niet de dingen waarover het geweten van de hoofdpersonen van deze romans struikelt. Zonde is immers geen tekortschieten in ”net gedrag” volgens de normen van de groep, zonde zit veel dieper.

Het meest kenmerkende aan deze romans is wel dat ze zonder omwegen, zonder verhullen de diepste vragen van ieder mensenleven stellen. Is God er wel? Waarom moet ik dan deze dingen meemaken? Heeft Hij de zaken wel in de hand? En wie ben ik? Is het Gods schuld of mijn schuld dat het allemaal zo misgelopen is? Hoe kan het ooit nog goedkomen? En wanneer dan al die vragen gesteld zijn, komt er vervolgens geen wondergeloof uit de lucht vallen, en ook veranderen de omstandigheden niet en blijven alle oplossingen uit. Er groeit alleen maar, heel voorzichtig, een klein beetje vertrouwen dat God tóch naar mensen omziet - alleen uit genade.

Dat alles zegt al veel over het zeer genuanceerde Godsbeeld en mensbeeld in deze romans. God is goed, barmhartig, genadig. Maar dat is niet het enige. Hij is ook heilig, almachtig en Hij gaat het menselijk begrip ver te boven. Stuk voor stuk zie je deze schrijvers worstelen met dat grote geheim. Cirkels trekken rondom een kern die je nooit helemaal bereiken kunt. Woorden aaneenrijgen in een poging iets van het onzegbare gestalte te geven. Afrekenen ook met al te menselijke Godsbeelden, want God is niet Iemand met wie je onderhandelen kunt, die je kunt betalen wat je Hem schuldig bent. Mensen zijn immers zondig, verwrongen, verborgen achter allerlei maskers. En alleen de goddelijke genade kan de mens zijn werkelijke wezen teruggeven. Wat overigens niet hoeft te betekenen dat het lijden daarmee ook meteen opgeheven is. „Ik geloof dat er in leed waardigheid schuilt”, schrijft Marilynne Robinson, „eenvoudig omdat het God behaagt dat dat zo is. (...) Het betekent dat God de kant van de lijdenden kiest, tegenover hen die hun leed berokkenen.”

Eerlijk
Dat klinkt allemaal erg mooi, en ook Bijbels. De ideale lectuur dus voor de christenlezer? Dat hangt ervan af. Er zijn immers ook wel een paar nadelen te bedenken bij de onbevangenheid van deze schrijvers, in combinatie met hun streven om de diepte in te gaan. Voor heel wat christelijke lezers zijn dergelijke romans te vaag, te weinig uitgesproken, bieden ze te weinig praktisch houvast, zijn ze te impliciet en te voorzichtig in hun boodschap, en te expliciet in hun beschrijvingen van allerlei gevoelens. Niet iedereen is het gewend om zichzelf heel existentiële vragen te stellen: de ene mens heeft nu eenmaal meer behoefte aan duidelijkheid en stelligheid, de andere meer aan openheid en genuanceerdheid. En wat de een als oneerbiedig ervaart, beleeft de ander juist als eerlijk. Niet elke roman is dus geschikt voor elke lezer, en dat geldt zeker ook voor deze zes boeken.

Daar komt bij dat er nogal verschil is per auteur. Cees Pols en Janne IJmker gaan bijvoorbeeld grondig in op de menselijke schuld, terwijl Guurtje Leguijt en Joke Verweerd veel meer stilstaan bij de vonkjes van Gods genade die in het alledaagse leven van hun hoofdpersonen zichtbaar worden. Marilynne Robinson legt vooral de nadruk op de schoonheid van de schepping in combinatie met een wat mystieke Godservaring, terwijl Frans Willem Verbaas onderzoekt hoe die Godservaring mogelijk kan zijn, zelfs onder alle benepen kerkelijke kwesties en huwelijksproblemen waarmee zijn hoofdpersoon -een eigentijdse dominee- te kampen heeft.

De ene auteur zoekt de oorzaak van alle problemen dus meer in de omstandigheden, de andere in het eigen hart, de derde denkt uitvoerig na over Gods voorzienigheid, terwijl de vierde staande houdt dat al die dingen tegelijkertijd een rol spelen maar dat wij toch niet precies kunnen begrijpen hoe het allemaal in elkaar zit: „Ik probeer alleen een min of meer correcte manier te vinden om te zeggen dat er dingen zijn die ik niet begrijp. Ik ben niet bereid geforceerd een of andere theorie op een mysterie van toepassing te verklaren”, schrijft Robinson.

IJkpunt
Toch hebben deze zes schrijvers één ding gemeen: ze tonen hun lezers de gebrokenheid van het bestaan. En daarbij zetten ze hun hoofdpersonen heel radicaal voor de allerdiepste vraag: hoe sta je nu in al je problemen tegenover God, niet volgens de kerkelijke dogma’s die je altijd geleerd en aanvaard hebt, maar echt volgens je eigen gevoel?

Dat is enerzijds heel mooi en confronterend, maar anderzijds kan het ook leiden tot een relativeren van allerlei theologische, dogmatische en ethische discussies, terwijl er een eenzijdige nadruk op de eigen beleving komt te liggen. Het lijkt immers vooral te gaan om een innerlijk gevoel van vrede met God en medemens, in het besef dat Gods Waarheid groter is dan wij kunnen bedenken en veelomvattender dan alle kerkelijke systemen die wij hebben uitgevonden. En dat laatste ís natuurlijk ook zo. Maar de vraag blijft dan wel: Waar vind ik houvast? Waar zit het ijkpunt? Wie vertelt mij wat echt waar is? Is dat mijn eigen gevoel van vrede of onvrede, of is dat het Woord, is dat de Geest? En hoe weet ik wat van mij is, en wat van God?

Het zou goed zijn als christelijke schrijvers zich juist in deze postmoderne tijd met zulke vragen bezighielden. Wij zijn maar mensen, wij kunnen niet zonder gezag van buiten. Ook al blijft het wel degelijk de taak van de literatuur om vervolgens de tekorten van al onze kerkelijke, theologische, bevindelijke systemen aan te wijzen, om terug te gaan naar de bron van alle autoriteit, om telkens opnieuw de afzonderlijke, unieke mens te confronteren met die ene vraag: Hoe zit het nu tussen jou en God?


Door Job te lezen zie ik hoe klein ik heb gedacht van God. Ik zie hoe ik, in mijn eigen opgerichte ladder van gehoorzaamheid aan een belofte, naar de hemel ben geklommen om Hem ter verantwoording te roepen. Hem, de schepper, die wij onmogelijk na kunnen gaan, wiens wegen ik niet begrijp. Nog steeds weet ik niet of Hij mij straft of beproeft. (...) In het licht van wat komen gaat, datgene waar ik me op voorbereiden moet, doet het er niet meer zo toe. Voor Hem, Die mij ooit antwoord zal geven op al mijn vragen, zal ik me moeten verantwoorden. En dat wil ik ook. (...) Ik wil niet meer de andere kant opkijken als de Man van smarten langskomt. Hij is bekend met mijn leven, mijn pijn, mijn ongerechtigheden. Nu zie ik dat zo helder alsof er een lichtstraal op de donkere puinhoop van mijn leven valt.

Janne IJmker, ”Achtendertig nachten” (uitg. Mozaïek)

Ik fantaseerde hoe mijn vader zou reageren als ik op de stoep stond, ik bedacht verschillende varianten, maar in elk daarvan zou het vermoeide gezicht van mijn vader oplichten zodra hij mij zag.

De politie bracht me terug, de auto reed tot vlak voor het huis. De agenten maakten met de groepsleiding grapjes over verloren schapen, maar ik wist zeker dat de goede Herder het lammetje droeg in plaats van hem in zijn schouder te knijpen en vooruit te duwen.

„Nou, dat is dan de zoveelste keer dat je wegloopt”, zei Dennis. „Maar je gaat vooruit, want je was een kilometer of drie op weg en dat is verder dan ooit.”

Guurtje Leguijt, ”Niemandsland” (uitg. Mozaïek)

Ik heb geen last van de warmte. De preek, over Mozes, wiens leven door het water een andere wending kreeg, boeit me. Toen hij de oever van de Nijl verliet en op stroom kwam, wist hij nog niet van zijn bestaan af, laat staan dat hij wist dat de brede stroom zijn bestaan drastisch zou veranderen. Als hij in Gosen had kunnen blijven, was hij steenbakker geworden. Als mijn echte vader me had gehouden, was ik nu boer geweest. Uiteindelijk kwam Mozes weer terug bij zijn volk, maar hij blééf iets met water houden. Net als ik.

Dan houden de overeenkomsten op. Mozes werkte in opdracht van God, zijn leven stond in het teken van een hoger plan. Dat van mij in het teken van een verkrachting, waar ik zelf niet zo’n last van heb, geloof ik.

Cees Pols, ”En het werd stil” (uitg. Mozaïek)

„Ik zeg tegen hen dat ons geloof God bepaalde attributen toeschrijft: alwetendheid, almacht, rechtvaardigheid en genadigheid. Wij mensen hebben zo’n beperkt inzicht in macht en kennis, zo’n beperkt besef van rechtvaardigheid en zo’n gering vermogen om genadig te zijn, dat de kracht van al die grootse attributen samen een mysterie is waarvan wij zelfs niet mogen hopen erin door te dringen.”

Hij lachte. „Zo, in die bewoordingen zegt u het dus.”

„Ja, inderdaad. Min of meer in die bewoordingen. Het is een beladen onderwerp en ik ga er omzichtig mee om.”

Hij knikte. „Ik begrijp hieruit dat u in predestinatie gelooft.”

„Ik houd niet van dat woord. Er is weinig genuanceerd gebruik van gemaakt.”

Marilynne Robinson, ”Gilead” (uitg. Mozaïek/De Arbeiderspers)

„Zeg nu eens eerlijk, word jij gelukkig van je preken?” (...)„Geluk... geluk... alsof dat het criterium is waaraan we alles af moeten meten. Alsof alles om die vijf letters draait.”

„Meneer de dominee voelt zich te goed voor het geluk.”

„Als je preekt trek je cirkels rond een geheim - het geheim van het leven, het geheim van God. De ene keer zijn de cirkels mooier en strakker dan de andere keer, dat heb je nooit helemaal in de hand. Maar hoe klein en strak je de cirkels ook maakt, het uiteindelijke geheim raak je nooit. Een preek is altijd een poging.”

Ze schudde haar hoofd. „En hoe zit het dan met die tekst: ”Zoekt en gij zult vinden?””

Frans Willem Verbaas, ”Engelenwoede” (uitg. Mozaïek)

„Wat wil je dan?”

„Vrede, rust. Niet langer opgegooid worden en vallen. Niet langer betrokken worden bij dingen waar ik niets mee te maken heb.”

Hij knikt - weet hij waarover ze het heeft?

„Mijn moeder”, begint hij.

Ze blijft luisteren, ook als hij lang niets zegt. (...)

„Zij zei, op de dag dat ze stierf: ik heb zo mijn best gedaan. Alle inzet van de wereld kan het kwaad niet kleinkrijgen. Eén offer alleen.”

„Geloof je daarin?”

„Ik heb het geloof niet op voorraad. Maar ik houd een wonder wel voor mogelijk.”

Joke Verweerd, ”Op de huid” (uitg. Mozaïek)


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek