Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Jan Wier wilde roomse kerk in diskrediet brengen

  
 1 van 2  

 

Zijn boeken hebben een belangrijke rol gespeeld in het beëindigen van de grote heksenvervolgingen kort na 1600. Jan Wier, een arts die vooral over heksen publiceerde én een belangrijke bijdrage leverde aan de Reformatie.

Over deze vergeten geleerde schreef Vera Hoorens de biografie ”Een ketterse arts voor de heksen. Jan Wier (1515-1588)”. Uit het boek blijkt dat Wier internationaal wordt beschouwd als een van de grondleggers van de psychiatrie en dat zijn bijdrage aan de Reformatie van onschatbare betekenis is geweest.

In 600 bladzijden vertelt Hoorens −hoogleraar sociale psychologie aan de Katholieke Universiteit Leuven– de grote geschiedenis van de zestiende eeuw met de opkomst van humanisme en Reformatie en de opstand tegen Spanje. Telkens keert ze terug naar haar hoofdpersoon, dokter Wier.

Vraag Victor Hugo, Sigmund Freud en Karl Marx naar de top vijf van belangrijkste geleerden en ze noemen allen de naam van Jan Wier. Hugo noemt hem in een roman een „geleerd man, goed heksenkundige en welingelicht demonoloog.” Freud kwam op het idee om hysterie als vrucht van de verbeelding te zien, omdat hij bij Wier had gelezen dat hekserij niets anders dan verbeelding was.

En Marx stelt vast: „De verdienste, het duivelsgeloof en de daarmee samenhangende gruwel nadrukkelijk te hebben bestreden, behoort zonder twijfel de Duitse arts Johann Weyer toe.” Toch vergist Marx zich: Wier bestreed niet het geloof in de duivel, maar stelde vast dat de relatie tussen duivel en heks niet anders is dan de relatie tussen de duivel en elke andere ‘normale’ mens.

Dat Wier onder psychiaters geroemd wordt, is omdat hij zaken behandelde zoals verminderde toerekeningsvatbaarheid, de rol van eenzaamheid, drugsgebruik en onderdrukte seksualiteit. Behalve over heksen schreef hij verhandelingen over geslachtsziekten en scheurbuik, maar deze waren minder geslaagd. Bijzonder is wel dat hij ook onderzoek deed naar de rattenvanger („gevallen engel”) van Hamelen en dat hij uit de mond van kapelaan Johan Dorsten het verhaal optekende van Johann Faust, die in 1540 op kasteel Batenburg van Herman van Bronkhorst gevangenzat. Via Marlowe, Heine, Goethe en Mann zou Faust wereldberoemd worden.

Wier was in Grave (Noord-Brabant) geboren, uit Zeeuwse ouders. Hij studeerde aan de universiteit in Parijs, maar vreemd genoeg blijkt uit de archieven niet dat hij zijn bul behaalde. Toch had hij kennis genoeg om arts te worden aan het hof van de hertog van Kleef, Gulik en Berg. Hij was een bekwaam en gewaardeerd arts, maar zijn reputatie is gevestigd op zijn Latijnse boeken en gedrukte verhandelingen: ”De praestigiis daemonum”, over duivelse begoochelingen en schijnheerschappij der duivels, ”De lamiis liber”, over de heksen, ”De ira morbo”, over de ziekte gramschap, het ”Artsenijboek”, over scheurbuik en syfilis.

Tijdens zijn leven was Wier niet erg beroemd, maar dat veranderde na zijn dood, toen de ”Opera Omnia” of verzameld werken in 1659 verschenen. Het eerstgenoemde boek, uit 1563, was zijn hoofdwerk. Het is een reactie op een beruchte bestseller, de ”Heksenhamer”, geschreven door de twee dominicaner inquisiteurs Jacob Sprenger en Heinrich Kramer. Voor hen zijn heksen leden van een duivelse sekte en geen middel mag onbeproefd blijven om ze te ontdekken en uit te roeien. Van dit boek zijn in honderd jaar bijna 50.000 exemplaren gedrukt.

In diezelfde tijd zijn ongeveer 90.000 vrouwen door rooms-katholieken en protestanten als heks veroordeeld, bij wie in de helft van de gevallen de doodstraf werd toegepast. Voor de duidelijkheid: de grote heksenjachten hadden niet in de middeleeuwen plaats, maar kort na 1600. Mede door het lezen van de boeken van Wier kwam er gaandeweg een einde aan.

Wier betoogt dat iemand die behekst zou zijn niet naar de priester moet, maar naar de dokter, en dat onder marteling verkregen bekentenissen van nul en generlei waarde zijn. Onzin om rampspoed aan hen toe te schrijven. Niemand had macht over het weer, zeker heksen niet, die vaak „dom, ongeletterd, achterlijk en gestoord waren – en vrouw bovendien.” Elders schrijft hij: „Wie verlicht wil worden van zijn zwaktes, moet zich niet meer zondig gedragen en wie geen nieuwe plagen wil afroepen, moet geen boosheden begaan.”

Knap was dat Wier in zijn boeken allerlei praktijkvoorbeelden opnam. Dit waren meestal actuele, roemruchte gevallen, die zijn lezers vaak kenden van horen zeggen. Pikant soms ook, zoals het verhaal van de kloosteroverste in Nazareth bij Keulen die telkens over seks droomde omdat (maar dat wist zij niet) haar zusters relaties hadden met mannen uit de buurt. Bij iedere nieuwe druk kwamen er verhalen bij en werden de afbeeldingen explicieter.

Opmerkelijk is dat Wier met zijn publicaties geen eeuwige roem wenste of een bekende dokter wilde worden; hij wilde de Rooms-Katholieke Kerk in diskrediet brengen. Voor hem waren de heksenvervolgingen een uitgelezen kans om te laten zien hoe bekrompen en misvormd deze kerk was. Dit omdat hij calvinist was.

Wat Luther deed met aflaten, deed Wier met heksen. Hoewel hij theologisch doorgaans op één lijn zat met Calvijn, vond hij Calvijns oproep in de Grote Raad van Genève om heksen te vervolgen misdadig.

Iemand als Gijsbert Voet (Voetius) kon niet met Wier uit de voeten. Voor Voet was magie heel reëel (en geen inbeelding) en volgens hem nam Wier het op voor tovenaars. Dat was nu precies wat Wier beweerde: het bijgeloof zit niet in de heks, maar in de heksenvervolger. Magie is niets anders dan het kwaad dat God de duivel toelaat. Interessant lectuur, vooral ook voor theologen van het bevrijdingspastoraat.


Boekgegevens

”Een ketterse arts voor de heksen. Jan Wier (1515-1588)”, door Vera Hoorens; uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2011; ISBN 978 90 351 3377 8; 634 blz. € 49,95.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek