Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

„Ik dank mijn clienteel voor het in mij gestelde vertrouwen”

 1 van 4  

Bredevoort heet Boekenstad. Maar de 22 antiquariaten daar doe je in no time te voet. Maar Antwerpen, da’s wat anders. Antwerpen heet dan wel geen Boekenstad, maar het aantal antiquaren overtreft dat van Bredevoort verre. De meeste zitten net buiten het centrum. Die doe je het makkelijkst op de fiets.
Het centrum van de Vlaamse havenstad biedt hetzelfde beeld als, willekeurig, Amsterdam en Rotterdam; de chique, dus dure, zaken zijn naar de rand van het centrum verdwenen. Langs de Meir en de Wapper domineren de kledingzaken. H&M, Zara en We (dat vroeger nog Hij heette, of Zij) hebben zich genesteld in de monumentale panden en wisselen af met Douglas, De Slegte en Free Record Shop. Verkeer wordt geweerd, straatmuzikanten en levende standbeelden van Rubens tot Elvis Presley proberen wat munten in de omgekeerde hoed te krijgen, een enkele bedelaar een aalmoes. Veel mensen, heel veel mensen laten deze hoofdaders van de Vlaamse stad dichtslibben. Mijn belangstelling geldt slechts De Slegte aan de Wapper. En natuurlijk Le Bistro, die de lekkerste Caesarsalade van België heeft.

Het is slechts een kwestie van meters, van de drukte naar de rust. Achter de grote winkelstraten, net buiten het centrum, daar zijn ze: de boekwinkeltjes, antiekzaakjes, soms een coffeeshop, shoarmatentjes en brocantes. Hier kun je scharrelen, alleen noemt de Vlaming het ”sneukelen”. Hier is nog de stilte, werpt de zon nog diepe schaduwen over de muren van de tegenoverliggende panden, en hij bereikt alleen op het hoogste punt rond twaalf uur de straat. Hier groeit het gras nog tussen de keitjes, het onkruid tussen de stenen treden van de voordeurtrapjes. Hier schiet nog een kat weg die in een hoekje zijn gestolen vissenkop zat uit te zuigen. Hier kun je op zoek naar Trommius’ ”Concordantie”. Antiquarisch vanzelf, liefst een eerste druk (waarvan de drie delen tussen 1672 en 1691 verschenen). Maar ik wil niet al te veeleisend zijn, een latere druk is ook goed.

Onderduiken
Hoewel de fiets in Antwerpen gemeengoed is, blijft het oppassen. Het verkeer krijgt al wat zuidelijke trekjes en een fietser moet maar zien te overleven. Hier geldt het recht van de sterkste; meestal de auto. De informele voorrangsregel is eenvoudig: wie het eerst komt, het eerst maalt. Zie je kans alle verkeer te ontwijken, wegopbrekingen te omzeilen en de gendarmes te negeren, dan blijft er nog één sluipend gevaar over: de tramrails.

Glijdend over de kinderhoofdjes beland je gemakkelijk met het voorwiel in de rails. De gevolgen laten zich raden, stuur je naar rechts, dan verplaatst je gewicht zich naar links. Onmiddellijk probeer je dat te corrigeren door je rechterbeen uit te steken. Dat helpt, maar leidt onmiddellijk tot overgewicht naar de linkerzijde, dat weer met je andere been moet worden gecompenseerd. Achter je de bel van een tram, voor je het dwingende ijzer van de rail. Met een plof voel je ook het achterwiel in de beklemming van de tramrail terechtkomen. Er is geen redden meer aan. Het flitst door je heen, moet ik me naar links of rechts laten vallen. Het wordt een sprong naar rechts, naar de stoep, m’n fiets meesleurend. De trambestuurder glimlacht meewarig, steekt zijn duim op en tingelt alvast de volgende onverlaat de paniek in z’n lijf.

De Wolstraat is een straat zonder racisme, een ”straat zonder haat”. Dat staat onder het straatnaambordje te lezen. Haaks en op m’n hoede steek ik over de kasseien de straat met tramrails over. Op de hoek met de Lange Koepoortstraat begint m’n zoektocht. In ’t Profijtelijk Boeksken. Dat klinkt devoot. Dat geldt niet het aanbod, want dat is breed gevarieerd. In de etalage ontwaar ik ”Vrouwen in de Bijbel”, ”Bach” en de ”Willibrordvertaling”, maar ook ”Men’s magazine” met bloot en ”Fanny Hill”, de levensbeschrijving van een dame van lichte zeden.

Aan de binnenzijde van de etalageruit hangt op A3-formaat een gedicht van Leonard Nolens:

Als wij, de grote mensen, moe zijn

Van het praten met elkaar,

Als wij moe zijn van het slapen

Met elkaar, het wandelen

En handeldrijven met elkaar,

Het tafelen en oorlog voeren

Met elkaar, als wij zo moe zijn

Van elkaar, van het elkaren

Van elkaar, dan zetten wij de kat

Op onze schouder, gaan de tuin in

En zoeken de kinderstemmen achter

De hoge hagen en in de boomhut.

Voorlopig zoek ik echter Trommius’ Concordantie en stap dus naar binnen. Een man in het zwart spreekt mij aan. Zijn hoog opstaand boord geeft hem het uiterlijk van een geestelijke. Zijn hardblauwe brilmontuur is daarmee in tegenspraak en maakt hem weer tot verkoper. Het Belgisch accent heeft altijd iets vriendelijks, de toon zwakt alle conflicten bij voorbaat af. Op de achtergrond klinkt zachte pianomuziek. Concordantie? Hij kijkt ietwat bedenkelijk en verwijst mij naar het vak van de Bijbelse boeken. Hij trekt een boekje van het schap: ”Concordantie van den Bijbel met woordverklaring”, uitgegeven door het Boekencentrum, 3e druk, 1977. G8. Dat laatste is de code. G is van geestelijk leven, de acht van het aantal euro’s dat je moet neertellen om het werkje in je bezit te krijgen. Maar Trommius? Dat is moeilijker. Het boek komt volgens de verkoper af en toe voorbij. „Als je nu vraagt naar Lampo, Elsschot of Timmermans, dat is geen probleem. Hadewijch en Reinaert de Vos zijn er in meervoud, zelfs Dante levert geen moeilijkheid op. Maar Trommius, nee, dat gaat niet lukken.”

Mijn vingers glijden nog even verder over de G. ”Vroomheid en satire” door prof. Steppe. Het kan dus wel, denk ik. Maar het boek blijkt te gaan over koorbanken. Jac van Ginneken: ”Katholicisme voor niet-katholieken”. Ik word getroffen, niet door de tekst, maar door de illustraties van Jan Toorop. Tien euro. Ik twijfel hevig, maar verman mij. Wat moet het worden als ik in de eerste winkel al zwicht voor de verleiding om lukraak te kopen.

Voor het christelijke boek is weinig belangstelling, vertelt de verkoper. „Wel voor gnosticisme. En voor Dan Brown.” Ik kijk verbaasd. „Nou ja, het staat wel bij de thrillers, maar het gaat toch ook over het christendom.” Voor Trommius verwijst hij me naar het grote magazijn in Westerleuven. Dat is me te ver fietsen.

Stripmuur
Wolstraat nummer 2: Beat Store. De etalage vol boeken, maar een brief op het raam: „Deur buiten gebruik: Ingang hiernaast.” Naar hiernaast dus, maar een rood-wit rolluik verspert daar ieder de toegang. Dáárnaast dan? Die deuren zijn gewoon dichtgetimmerd. Schuin aan de overkant bevindt zich een ander antiquariaat. Ook daar hangt een briefje achter het glas: „Demian verhuist naar de overkant: Wolstraat 2.” Dat wordt kennelijk bedoeld met van het kastje naar de muur.

Het gaat overduidelijk niet goed met het antiquariaat in Antwerpen. Dichtgespijkerde ramen, leeggehaalde etalages en briefjes op de deur: „”Oude Borze” stopt per 31/12/2006 haar activiteiten. Ik dank mijn clienteel voor het in mij gestelde vertrouwen.” Punt uit. Internet richt in Antwerpen een ware ravage aan.

Verder de Wolstraat in. Rechts is het Moriaanstraatje. De blinde muur is opgefleurd met een enorme schildering van de Stadsbibliotheek. In de poort zit een oude man die wat wegheeft van een kabouter. Het blijkt Hendrik Conscience te zijn. De stripmuur is onderdeel van de ”Beeldverhaalroute Antwerpen”, door Jan Bosschaert. Later kom ik Suske en Wiske tegen, en Kiekeboe.

Priemende blik
Antwerpen is overgoten met literatuur. In de bar The Dubliner (ongetwijfeld genoemd naar het boek van James Joyce) wordt bier geschonken van De Koninck, de Leeuw van Vlaanderen. Het Hendrik Conscienceplein spreekt voor zich en herbergt de Stadsbibliotheek en een grafiekwinkeltje. Geen antiquariaat.

Op de balie bij De Slegte kijkt de priemende blik van Guido Gezelle in mijn richting. Alsof hij wel door heeft dat ik mijzelf een onmogelijke opdracht heb gegeven en daar nog plezier in durf te hebben ook. Op mijn vraag aan de verkoper na te gaan of er een concordantie in huis is, schudt hij verontschuldigend zijn hoofd. Als die er is, staat ze in de vakken. Als het boek niet in de vakken staat, is het er niet. Zo eenvoudig is dat. Op zoek dus maar. Johan Vreugdenhils ”Kerkgeschiedenis” staat naast ”Brieven aan een kardinaal” van Louis Roy. Maar geen Trommius. De kaartjes tussen de boeken die de rubrieken afbakenen, zijn curieus: Heiligenlevens, Engelen en mirakels, Begijnhoven. Achter het kaartje Pelgrimage staat Gunnings ”Blikken in Bunyans Pelgrimsreize”.

Trefzeker
De Ballade, Hoogstraat 63: De redelijk corpulente uitbater heeft een appelgroene blouse aan die zijn lijf omspant. Hij telt het geld in de kassa en laat zich nauwelijks afleiden. Concordantie? Hij wijst naar een Bijbels woordenboek, kloek, zwart en met 42 euro flink geprijsd. Geen concordantie. Weet hij wat ik bedoel? Ja, zegt hij. Nee, spreken zijn ogen. Als ik het uitleg, verwijst hij me naar Erik Tonen in de Kloosterstraat. Als het werk in Antwerpen te vinden is, dan is het daar.

De Kloosterstraat, daar verongelukte de hoofdfiguur van Hubert Lampo’s boek ”De komst van Joachim Stiller”. Ik kijk de straat door. Niets bijzonders te zien. „Meneer, helpt u me even.” De vrouw bij de fiets laadt haar tassen met boeken af en even later sta ik in de winkel van Tonen, met in iedere hand een zware tas boeken. Tonen heeft geen belangstelling voor haar handel en ik ben zo goed niet of ik sjouw de tassen weer naar buiten en help de vrouw op de fiets.

Erik Tonen heeft een chique winkel, jugendstiluitstraling, gebakken tegeltjes met ruitmotief op de vloer, de stellingen tot aan het plafond. De boeken staan strak in het gelid langs de wanden. Toch is er nog plaats voor wat grafiek en borstbeelden. Ook hier ontbreekt Gezelle niet. Hij kijkt nog steeds verwijtend in mijn richting.

Tonen kent de Concordantie van Trommius niet persoonlijk. Maar wellicht… Hij pakt een ladder en zet die tegen de achterwand met antieke banden. Trefzeker grijpt hij een oude perkamenten band. Ja, dat is er een. Mijn hart klopt sneller en ik voel me wat warm worden. Hij bladert verder: 1642, uitgegeven bij Plantijn in Antwerpen. Dat kan dus niet. Het is een concordantie, dat wel, maar op de Vulgaat, geschreven door Francisco Lucca.

Concordanties kwam je vroeger vaak tegen, vertelt Erik Tonen. „Nu niet meer, de handel in antiquarische boeken is ingezakt.” Internet, vraag ik. „Nee, de meeste kloosters in de buurt zijn gesloten, opgeheven. Uit die bibliotheken komt dus niets meer op de markt. Bepaalde collecties verdwijnen naar de veilingen. Ook de vraag naar rooms-katholieke boeken is gering. De prijzen voor de bijzondere exemplaren blijven onverminderd hoog. Dat schrikt potentiële kopers af. In de goede tijd kocht je nog een mooi antiek boek voor zo’n 300 à 400 euro. Dat is voorgoed voorbij.”


Antwerpen is de stad van Willem Elsschot, Hubert Lampo en Maurice Gilliams. Het is vooral ook de stad van Suske en Wiske. De stripverhalen van Willy Vandersteen (1913 1990) speelden zich, zeker in het begin, af in Antwerpen, het gebruikte dialect is plat Vlaams. Elsschots romans, zoals ”Kaas” (over de ambities van een kantoorklerk) en ”Het dwaallicht” (over een nachtelijke zwerftocht door het Antwerpse havengebied) geven een sfeervol beeld van de rommelige stad, die de enige grootstad van Vlaanderen vóór de Tweede Wereldoorlog was. Carl Friedman beschrijft in haar boek ”Twee koffers vol” het joodse leven in de Vlaamse stad aan de Schelde.

Cultuur is in Antwerpen meer dan literatuur. Schilderkunst, architectuur, tapijtweverijen gaven de stad de eeuwen door aanzien. De sporen daarvan zijn via de vele stadswandelingen terug te vinden.

Voor alles is Antwerpen een ”sneukelstad”, een stad om te scharrelen. Winkeltjes met de meest uiteenlopende specialiteiten, outletstores en kringloopzaken. De VVV heeft speciale sneukelarrangementen in de aanbieding. Wie tussendoor bijzonder wil eten, kan naar de joodse wijk bij het Centraal Station, en koosjer zijn maag vullen.

Gereformeerd monnikenwerk
Als Abraham Trom, telg uit een welvarend koopmansgezin, vier jaar oud is, verschijnt de eerste druk van de Statenvertaling. De jongen begint dan net aan zijn schoolloopbaan, die via de Latijnse school naar de universiteit van Groningen voert. Hij studeert er filosofie, letteren en theologie. Na het afronden van zijn studie maakt hij diverse buitenlandse studiereizen; hij komt in uiteenlopende plaatsen, zoals Londen, Genève, Basel en Montauban. In 1658 neemt hij een beroep aan naar de gemeente van Haren.

Het overlijden van zijn schoonvader is voor Abraham Trommius niet alleen verdrietig, maar ook een fikse tegenslag. De oude predikant Johannes Martinus had zijn schoonzoon betrokken bij een monsterproject: het aanleggen van een alfabetische lijst van alle in de Bijbel (in Statenvertaling) voorkomende woorden. Deze concordantie begint al vorm te krijgen, maar er ligt nog veel werk te wachten dat Trommius’ arbeid als predikant van de Nederduits gereformeerde kerk van Haren niet mag hinderen.

Gedisciplineerd zet Trommius het werk aan de concordantie voort en tijdens de periode 1672 1691 ziet de volledige concordantie van zowel het Oude als het Nieuwe Testament het licht. Als snel is dit standaardwerk in drie delen een begrip en verschijnen er herdrukken, zelfs (maar dat heeft Trommius niet kunnen vermoeden) tot nu toe. Dat er waardering is voor Trommius’ monnikenwerk blijkt uit het eredoctoraat dat de predikant in 1717 van de universiteit van Groningen –de stad waar hij zich in 1671 heeft gevestigd– ontvangt. Trommius weet niet van ophouden en is dan ook bezig met een concordantie van de Septuagint. In 1719 overlijdt Abraham Trommius, een man wiens naam een merknaam geworden is; ”De Trommius” is een begrip geworden.

Dit is het achtste deel in een serie zoektochten naar boeken.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek