Daer moet veel strijdts gestreden sijn,
Veel kruys en leeds geleden sijn,
Een nauwen weg betreden sijn,
En veel gebeds gebeden sijn,
Soo lang wij hier beneden sijn,
Soo sal ’t hierna in vreden sijn.
Bij het graf kun je mijmerend vragen stellen. Hoe zal het bij de opstanding gaan? Want er is een menselijk probleem. Onder de gedenksteen ligt namelijk alleen Camphuysens hoofd. Dat is, enkele jaren na zijn dood, ’s nachts uit het graf (op een andere plaats in Dokkum) verduisterd en verkocht. De nieuwe eigenaar, Jacob Colom, bewaarde de schedel van zijn geliefde dichter zuinig en liet het kleinood na aan zijn dochter. Het lichaamsdeel kreeg ten slotte een plaats in een rariteitenkabinet, voorzien van het opschrift:
Aanschouwers hoor! ik ben de kas,
Daar het Godgeleerde brein in was…
Uiteindelijk was het Verenigde Christelijke Gemeente die in 1860 de schedel, hier op de oude begraafplaats, weer aan de schoot der aarde toevertrouwde.
Held
De Dokkumer VVV deelt de ruimte met de ANWB. De medewerkster is van beide markten thuis, zegt ze. Maar op de vraag naar schrijvers, dichters en boeken van, uit en over Dokkum vliegt er een blos van verlegenheid over haar gezicht. Ze leest niet zo veel, zeker niet in het Fries. Verder biedt het VVV geen literaire fietsroute, geen gemarkeerde schrijverswandeling of een boekenbrochure, hoogstens een Bonifatiustocht door de stad. We zijn aan onszelf overgeleverd. Sjoukje Bokma de Boer? Geen reactie. Haar schuilnaam dan: Nienke van Hichtum, van ”Afke’s tiental”? Dan klaart haar gezicht op. O, die ja. Dan moeten we maar eens aan de overkant van de Markt vragen in stadscafé De Refter. Want daar schijnt die schrijfster vroeger op kostschool te zijn gegaan.
We treffen het, volgens de hulpvaardige Clarinda. Ze schenkt koffie en klare wijn. Van schrijvers weet ze niet veel, maar ze kan op internet zoeken. Ze wijst veelbetekenend in de richting van de bar. Daar zit een man aan de koffie. Hij is gekleed in blauwe overall; mager, bijeengehouden door de bruinleren riem om zijn middel. De ”held van Dokkum”, Ype de Jong in eigen persoon.
Bescheiden wimpelt hij onze bewondering af. Het is maar een titel die „de tv” hem gaf. Vanwege het vele vrijwilligerswerk dat hij in Dokkum verricht; papier ophalen en zo. De bekroning is al enkele jaren oud, maar bij gebrek aan een nieuwe Dokkumer held voert hij zijn titel nog steeds. Hij weet van Nienke van Hichtum, hij kent het graf van Camphuysen, maar we moeten ook eens langs het gemeentehuis lopen, waar de striptekeningen van Guido van Driel aan de buitenmuur hangen. Van Driel maakte het album ”Om Mekaar in Dokkum” om de opening van het nieuwe stadhuis van Dokkum te vieren. ’t Pakte wat anders uit. Vanwege vloeken en schuttingtaal in het stripboek weigerden politici van christelijke partijen het in ontvangst te nemen. Een echte rel dus.
Marmeren Bonifatius
De computer van Clarinda levert ook wat treffers op: schrijver Jacobus Knol zag in 1936 in Dokkum het levenslicht, voor de dichter Ruben van der Gogh ging dat licht pas 31 jaar later op. Voor Bonifatius ging het in Dokkum juist uit. Op het martelaarsveld staat de marmeren Bonifatius al jarenlang het boek boven zijn hoofd te houden, zijn duim tussen de vellen papier, om zo dadelijk weer verder te kunnen lezen. Velen zeggen dat het wel een Bijbel geweest moet zijn. Het mocht niet baten, het zwaard doorkliefde in 754 boek en schedel, hetgeen ons nu het Latijnse onderschrift in de sokkel oplevert: „Hier werd Bonifatius het levenslicht ontnomen; 754; hier ging voor Friesland het licht van het Evangelie op.”
Bij degenen die later van dat Licht zouden getuigen, hoorde zeker ook de Fries Titus Brandsma. Hoewel niet echt een Dokkumer, kreeg ook hij bij de veertien statiën op het martelaarsveld zijn deel met een gedicht. Eenvoudig maar teer, zeker voor wie bedenkt dat deze roomse priester in 1942 in Dachau werd vermoord; ook het levenslicht ontnomen dus.
Want Gij o Jezus was bij mij
Ik was u nimmer zo nabij
Blijf bij mij bij mij Jezus zoet
Uw bijzijn maakt mij alles goed.
Het is oppassen geblazen op het martelaarsveld. Kennelijk een glibberig terrein; bordjes waarschuwen: ”Deze vloer is glad, betreden op eigen risico”.
Avontuurlijk
Antiquariaat De Oude Drukkerij neemt het met de openingstijden niet zo nauw. De eigenaar kan het zich ook permitteren; hij is de tachtig jaren gepasseerd. Bovendien, wie doet deze voormalige leraar Engels wat, zijn pensioen gaat toch wel door. Hij hoeft niet van de boekenverkoop te leven en doet het „uitsluitend voor zijn plezier.” Hoewel, zo vertrouwt hij ons toe, het meeste plezier wel weg is na het sterven van zijn vrouw.
Friese schrijvers? Hij heeft er een etalage vol van, zowel Nederlands- als Friestalig. Onmiddellijk begint hij een overzicht op te sommen: ”Hotse Hiddes” is avontuurlijk en leest heel prettig; beter dan de andere boeken van de Friese schrijver Siebe van Aangium. ”De zwarte mus” en ”Jelle Piebes de verrader”, de boeken spelen zich allemaal in de omgeving van Dokkum af. Nienke van Hichtums ”Sip-Su”, ”Afke’s tiental” en ”Schimmels voor de koets” liggen naast een Friese omnibus. Maar willen we meer weten, dan moeten we naar de bibliotheek.
Een jonge moeder duwt de kinderwagen door de hoofdstraat, zichtbaar tevreden met haar kind en het weer. Waar de bibliotheek is? Dat weet ze wel. Of ze ook even vijf Friese schrijvers kan noemen? Nee, dat lukt niet. Eentje dan? Ze kijkt bedenkelijk, glimlacht, schudt het hoofd en zegt: Ernstig, hè? We stellen haar gerust en vervolgen onze weg.
Levende legende
De bibliotheek van Dokkum mag gerust een cultureel centrum heten. Dokkums historie en alle kunst en cultuur die de stad heeft voortgebracht, hebben een plaats gekregen in het gebouw. De ”streekarchivaris van Dokkum, Ameland en Schiermonnikoog”, Tjeerd Jongsma, legt uit waarom streekarchief, bibliotheek en waterschapsarchief onder één dak verkeren. De verschillende collecties vormen samen het historisch informatiecentrum.
Jongsma weet alles van de historie, maar voor boeken, dichters en schrijvers moet hij een beroep doen op zijn collega Gosse van der Plaats, bibliothecaris en adjunct-directeur van de stichting Bibliotheken Noord-Oost Friesland. De beide Friezen kijken elkaar aan en steken van wal: Wie Dokkum zegt, moet direct denken aan Durk van der Ploeg, een nog levende legende, romanschrijver uit Veenwouden. Weliswaar net ten zuiden van Dokkum, maar zijn verhalen spelen zich veelal in de stad af. Theun de Vries kwam uit hetzelfde dorp, maar verhuisde naar Amsterdam, waar hij zijn schrijvercarrière begon. Net zoals Nienke van Hichtum (Sjoukje Bokma de Boer), afkomstig uit Nes, ten noorden van Dokkum. Ook zij ’emigreerde’ naar Amsterdam, trouwde er met en scheidde er van Pieter Troelstra, en schreef er haar beroemde jeugdboeken. Meidert de Jong uit Wierum vertrok eind 19e eeuw naar Amerika en schreef daar ”Het wiel boven de deur”, dat zich in Dokkum afspeelt. De schrijvende schoolmeester Anne Joustra verhuisde naar Den Haag.
Hoe het komt dat die Friezen vertrokken en vervolgens over het Heitelân hun familie- en streekromans schrijven? Nationalisme, chauvinisme? Om het hardst schudden de twee boekologen van ”nee” en trekken een afkeurend gezicht. Dat soort woorden willen ze zelfs niet op de lippen nemen. Het heeft te maken met de gehechtheid van de Fries aan zijn wortels, aan zijn cultuur. Eenmaal elders gaan ze terugkijken en vragen zich af wie hun ouders eigenlijk waren, hoe dachten ze, hoe leefden ze. Daarop hadden de zwijgzame Friezen elkaar kennelijk niet eerder bevraagd; nu gaan ze het onderzoeken.
Nationalistisch
Friezen zijn erg trots op hun afkomst, ze hangen aan hun geboortegrond. De geografische afbakening -aan de ene kant het water, aan de andere kant het veen- en de eenheid van taal gaven de Fries zijn eigen identiteit. En het valt niet te ontkennen dat Friesland in het verleden meer zelfstandigheid had dan de andere gewesten, niet direct aan bisdommen waren gebonden.
Dat alles maakte de Fries Fries. In de tijd van de romantiek plakte men daar wel het etiket ”nationalistisch” op. „Maar dat is voorbij”, zegt Tjeerd Jongsma. „Dat hebben we allang achter ons”, beaamt Gosse van der Plaats.
DOKKUM - Bonifatius’ dood is Dokkum z’n brood. Leerden we vroeger op school dat de Evangelieprediker ”bij” Dokkum vermoord werd, de stad heeft hem binnen de muren getrokken en uitgebaat.
Op het martelaarsveld bij de Bonifatiusbron staan zijn standbeeld en zijn kapel, op de Markt is een beeldengroep van moderne snit opgericht, in de souvenirwinkels is de apostel terug te vinden op beeldjes en bekers en borden. Zijn nalatenschap bestaat eigenlijk alleen uit het verhaal, zijn brieven komen alleen op de Bonifatiusroute -en dan nog spaarzamelijk- aan de orde.
Dokkum is overgoten met een sop van cultuur. De rijke historie -in 1224 werden in het Dokkummer Grootdiep de schepen uitgerust voor de tweede kruistocht naar het Beloofde Land- is terug te vinden in het wapen - de halve maan ontbreekt niet. In 1597 vestigde de Friese admiraliteit zich in de stad en regelde hier de bescherming van de handelsvaart naar de Oostzee en de oorlogvoering met Spanje op zee. Dokkum was strategisch belangrijk, wat blijkt uit zestiende-eeuwse stadswallen. De aanleg van de Stroobossertrekvaart in de jaren 1654-1656 was te hoog gegrepen voor de stad en Dokkum ging failliet. Vandaar ook de uitdrukking ”arm Dokkum”.
VVV-wandelingen voeren langs waag en wallen, langs stad- en admiraliteitshuis, langs kerk- en watertorens. (Adres VVV: Op de Fetze 13).
Wie de collectie Friese schrijvers en dichters (zelfs de Drent die zich Van Dockum noemde) nader wil bekijken, kan terecht in het historisch informatiecentrum. Daar staan kasten vol in zowel de Nederlandse als de Friese taal. Keurig geordend: Friezen in het Fries, Friezen in het Nederlands, niet-Friezen over Friesland en andere varianten. (Adres bibliotheek: Brokmui 62). Thuis kan al het nodige voorwerk worden verricht: www.tresoor.nl.
In het Streekmuseum (Diepswal 27) staat conservator Imo Dragt met zijn staf klaar om bezoekers rond te leiden.
„Eindelijk was ’t kleine goedje onder de wol. Vader ging uit om zich te laten scheren en Eeltje en Jouke zaten te lezen, elk aan een kant van de kachel.
Maar Wiepkje had ’t druk. Ze goot een ketel kokend water uit in een tobbe, die in ’t portaal klaar stond, en deed er zoveel koud bij, als nodig was. Daarin werden nu de broeken van alle jongens te week gezet -ook Jouke moest de zijne afstaan- en meteen alle sokken en kousen.
Met groene zeep werd eerst alles fris uitgewassen, en daarna de broeken met zwarte verf afgeborsteld. Nu was alles schoon, maar - ’t moest de volgende morgen weer droog zijn! De sokken werden in de oven gelegd, en de broekjes kwamen voor en boven en om de kachel te hangen. Gelukkig dat er genoeg turf was. Want de kachel moest nu de hele nacht doorbranden! De nare, benauwde lucht van al dat opdrogende goed verspreidde zich door de kamer. Moeder begon ervan te hoesten, en de kinderen sliepen onrustig. Maar vooral Wiepkje, die ’t in haar dienst zo fris en ruim gewend was, had er veel last van. Toch klaagde ze niet; want ze wist, dat er nu eenmaal niets aan te doen was.
Toen zette ze nog vlug ’t vuile witte goed in ’t water, en ’t werk voor die avond was gedaan. Nu maar gauw naar bed, want morgen moest ze alweer vroeg aan ’t kousen stoppen! „Nacht Mem!” klonk het hartelijk, en Wiepkje verdween in ’t keldertje onder Moeders bedstee, bij de kleine meisjes; want op de zolder, waar ze gewoonlijk sliep als ze een nacht thuis logeerde, was ’t in deze tijd veel te koud. Er waren twee pannen van ’t dak gewaaid, en de huisheer kwam er maar niet toe, die er weer op te laten maken. - En zo sliepen ze dan met hun elven in één benauwde kamer, waar de geverfde broekjes en de drogende sokken een stiklucht verspreidden…”
Uit ”Afke’s tiental. Een schets uit het Friesche arbeidersleven”, van Nienke van Hichtum.