Als ik heel eerlijk ben: zo’n verhaalfragment maakt op mij meer indruk dan alle fragmenten die bij de vorige afleveringen van deze serie stonden afgedrukt. Terwijl het nota bene over een islamitische hoofdpersoon gaat, en terwijl niet de Bijbel, maar de Koran wordt aangehaald.
Hoe komt dat nu? Ik denk toch: heel simpel doordat deze seculiere schrijver een betere vakman is dan veel christelijke schrijvers. Geen gebrekkige woordkeus, geen overbodige zinnen, geen al te voorspelbare gedachten. Dit is een echte verteller, die precies weet wat hij zegt en niet zegt. Een schrijver die nadenkt over het leven, waardoor zijn Godsbeeld en mensbeeld genuanceerder en ingewikkelder en ook realistischer in elkaar zitten dan bij minder goede schrijvers het geval is.
Daarom wekt het ontroering, de manier waarop zijn hoofdpersoon zich overgeeft aan een onbegrijpelijke God, machtig en vergevingsgezind en barmhartig tegelijk. Omdat je de menselijke emotie van die vrouw zo goed kunt begrijpen, al mis je dan ook allerlei christelijk-theologische noties. Toch, als de emotie gezakt is, blijft er weinig over. Dan denk je: dat bidden van die hoofdpersoon, hoe aangrijpend ook, lijkt vooral een soort bezweringsformule. Uiteindelijk heeft voor deze vrouw de zin van haar leven niets te maken met God. Die zingeving zoekt ze ergens anders: in het feit dat ze bemind heeft en bemind is, hier, tijdens haar aardse bestaan.
Inlevingsvermogen
Zo werkt het eigenlijk met alle literaire romans die op deze pagina aandacht krijgen. Ze zijn heel verschillend: het ene verhaal gaat over indianen en kolonisten in de negentiende eeuw, het andere over een twintigste-eeuwse bevindelijke bloemenkweker. De ene schrijver vertelt over Hongarije, de andere over Israël. De hoofdpersonen in het ene boek zijn moslims, in het andere boek joden of christenen. Toch zijn alle zes genoemde romans heel populair op christelijke leeskringen, en dat komt doordat ze een paar dingen gemeen hebben.
Allereerst is dat natuurlijk de kwaliteit van het schrijverschap. Wie deze boeken gelezen heeft, voelt de behoefte tot nadenken, tot napraten met andere lezers. Deze verhalen vergeet je niet zomaar. Daarin zijn ze anders dan de tot nu toe besproken romans, waarvan het recept veel voorspelbaarder en dus ook veel minder onvergetelijk is. Maar goed, dat geldt eigenlijk voor alle goede literaire fictie, dat het verhaal een onontkoombare indruk op je kan maken. Schrijvers van literatuur proberen immers altijd zo existentieel en onbevangen mogelijk na te denken over de grote levensvragen, en dat raakt de lezer vaak dieper in het hart dan de manier waarop de meeste populaire verhalenvertellers te werk gaan.
Toch heeft de aantrekkingskracht van deze zes boeken op christelijke lezers waarschijnlijk óók iets te maken met de achterliggende levensfilosofie. In elk geval maken de genoemde schrijvers het niet al te bont met vloeken en seks -met uitzondering van Japin, die Gods Naam regelmatig als tussenwerpsel gebruikt-, ze vertellen een mooi en leerzaam verhaal, en ze propageren een boodschap van ”onderlinge liefde tussen mensen.”
Anders dan andere moderne schrijvers hebben ze allemaal buitengewoon veel belangstelling voor religie, ze kiezen regelmatig voor gelovige hoofdpersonen en dat geloof wordt dan ook heel welwillend en met zo veel mogelijk begrip beschreven. Kortom, dit zijn auteurs die een vriendelijke, humanistisch georiënteerde wereldbeschouwing aanhangen, waarin religie niet langer als achterlijk of belachelijk wordt neergezet. En dat komt vooral doordat hun levensovertuiging stoelt op een duidelijk grondbeginsel: een mens moet zich kunnen verplaatsen in de ander. Inlevingsvermogen is geloofsartikel nummer één, en respect voor andermans waarheid is van levensbelang.
Fanatisme
Niet dat met zoveel woorden in deze verhalen te lezen valt. Ook op dat punt zijn de zes genoemde schrijvers vakmensen: ze kijken met liefde en aandacht naar hun karakters, ze beschrijven eenvoudig wat hun hoofdpersonen voelen en denken, zonder daar meteen een oordeel over te vellen. Toch dringt hun eigen levensbeschouwing tussen de regels door in de geest van het verhaal, en wat je daar proeft, wordt bevestigd door uitspraken die de auteurs in interviews en essays doen.
Neem Sándor Márai, die het humanisme beschouwt als „het grote geschenk van Europa”, terwijl „mensen van één boek” zich volgens hem niet zelden ontwikkelen als fanatici zonder innerlijke flexibiliteit, met wie niet te discussiëren valt. Of Arthur Japin, die zijn centrale boodschap zo verwoordt: „Als je voor één mens begrip op kunt brengen, kun je dat ook voor meer mensen. Daar wordt de wereld beter van. Mensen zijn niet slecht, ze zijn vaak gekwetst door de omstandigheden. Je moet nooit oordelen over mensen.”
Of neem Amos Oz, voor wie de kiem van alle kwaad gelegen is in „een onverzettelijke rechtheid in de leer” en een totaal gebrek aan verbeeldingskracht. In pamfletten en toespraken trekt hij van leer tegen iedere vorm van religieus of politiek fanatisme. Iedere fanaticus heeft volgens hem de neiging om over lijken te gaan ter wille van het hoge principe. En hoe komt dat? Doordat een fanaticus zich eenvoudig niet kan voorstellen dat een ander er andere opvattingen op na zou kunnen houden, hij is overtuigd van zijn eigen gelijk en niet in staat de zaak van meer dan één kant te bekijken.
Absolute waarheid
Dat is dan precies het punt waar het voor christelijke lezers om draait. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal heel mooi. Het is ook waar, tot op zekere hoogte. Wie zich niet kan inleven in de ander, loopt inderdaad het gevaar om zijn eigen gebrekkige inzichten tot absolute norm te verheffen met alle mogelijke risico’s en uitwassen van dien. Inlevingsvermogen is dus goed, en nodig.
Maar met al dat respect voor elkaars waarheden verdwijnt natuurlijk wél de ene absolute waarheid volkomen uit het zicht. Dat lijkt me het cruciale punt: hoe houd je het besef levend dat de Waarheid bestaat, zonder dat je meteen denkt dat je die waarheid zelf in je binnenzak hebt? Hoe blijf je beseffen dat je eigen begrip, je eigen kennen altijd veel te gebrekkig zal zijn om er gezag aan te ontlenen, terwijl je je tegelijkertijd laat gezeggen door de Waarheid die geopenbaard is in het Woord?
In deze zes boeken is godsdienst een menselijke constructie, een product van de verbeelding, een cultureel verschijnsel dat met liefde gekoesterd wordt. Maar je mist er de hunkering, het verlangen dat het allemaal écht is. Dat er werkelijk een God is die Zich aan mensen bekendmaakt, dat Zijn aanwezigheid in hun bestaan alle verschil maakt, dat leven en dood daarvan afhangt.
De grootmoeders hadden geen cent (…). Maar ze wisten al vanaf hun kindertijd dat iemand die niet rijk was en toch naar Mekka wilde, dit alleen kon bereiken door te vegen. Maar er waren drie voorwaarden aan verbonden, ten eerste moest je twintig jaar lang voor zonsopkomst het voetpad schoonvegen, ten tweede mocht je door niemand gezien worden en ten derde mocht niemand achter je geheim komen.
Dan, op de laatste dag, zou de profeet Gezr tevoorschijn komen om je te belonen. Gezr was een van de eerste profeten, die lang voor Mohammed, Iesa, Mosa, Ibrahim, Jakob en Dawoed leefde. Maar hoe Gezr de reis naar Mekka voor je zou realiseren, was een geheim tussen de oude profeet en degene die bezemde.
Kader Abdolah, ”Het huis van de moskee” (uitg. De Geus)
Nee. Het was niet zo slecht, dacht Mariam, dat ze op deze manier zou sterven. Het was niet zo slecht. Dit was een wettig einde aan een leven met een onwettig begin.
Mariams laatste gedachten waren een paar woorden uit de Koran die ze fluisterend uitte: „Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen; Hij laat de dag met de nacht bedekken en de dag de nacht verrassen, en Hij heeft de zon en de maan aan Zich onderworpen; elk heeft zijn toegemeten tijd; Hij is waarachtig de Machtige, de grote Vergevingsgezinde.”
„Kniel neer”, zei de Talib. (…)
En voor de laatste keer deed Mariam wat haar opgedragen werd.
Khaled Hosseini, ”Duizend schitterende zonnen” (uitg. De Bezige Bij)
Wij zijn geen mannen van de geest, niet in deze streken, hier zijn predikers mannen van de aarde. (…) Daarin zijn wij niet anders dan onze buren. Net als zij kan ik amper een zin lezen die niet in de Heilige Schrift staat. En schrijven kan ik helemaal niet. Maar we kunnen wat beters, wij kunnen woorden leven geven, we kunnen er hoop in leggen, en ons hart. In die zin zijn we aangeraakt door iets buiten onszelf. Voor het gemak noem ik het God, omdat mensen dan niet doorvragen. Die naam dekt alles wat ze niet begrijpen. Maar misschien is het wel gewoon een onweerstaanbare drang om in leven te blijven. Die drijft mij. En dat horen de mensen.
Arthur Japin, ”De overgave” (uitg. De Arbeiderspers)
De overdreven aandacht voor techniek en de behoefte aan records die zo kenmerkend zijn voor onze tijd, acht ik noodlottig. Mensen van de geest zijn zeldzaam geworden en moeten zich overal in catacomben schuilhouden, zoals geleerde monniken in de Middeleeuwen voor de Vandalen vluchtten. Elke levensuiting van de moderne mens is van angst en pessimisme doortrokken. (…)
Zolang men mij toestaat te schrijven, zal ik getuigen dat er een tijd is geweest waarin de mensen de rede boven de driften stelden en geloofden in de kracht van de geest (…). Het enige wat ik kan doen is deze gedachte op mijn onbeholpen manier trouw blijven. Ik heb Europa gezien en Europa’s geluiden en stemmen gehoord, ik heb een cultuur beleefd… Had het leven me meer kunnen geven?
Sándor Márai, ”Bekentenissen van een burger” (uitg. Wereldbibliotheek)
Oom Josef bleef op zijn matras liggen, uitgeput, somber en bleek, met zijn rug tegen de beroete muur aan en zijn bril op zijn voorhoofd. Zijn antwoord was heel anders dan dat van tante Aili: in zijn visie was Jezus van Nazaret ”een van de grootsten van het volk Israël aller tijden, een wonderbaarlijke moralist die een afschuw had van de onbesnedenen des harten en heeft gestreden om het jodendom zijn oorspronkelijke eenvoud terug te geven en het te onttrekken aan de handen van allerlei haarklovende rabbijnen.” (…) Ik wist niet hoe ik de Jezus van oom Josef, met zijn afschuw en zijn strijdlust, moest rijmen met de Jezus van tante Aili, die niet verafschuwde of streed, maar precies andersom, juist hield van de zondaars en van degenen die hem verafschuwden.
Amos Oz, ”Een verhaal van liefde en duisternis” (uitg. Meulenhoff).
Waarom dacht hij nu aan zijn vader? Het zweet brak hem uit. Zat zijn vader aan Gods rechterstoel? Kon zijn vader hem zien? Wat was het duister in deze wereld, als in deze oude boerenschuur. Wie had gezegd: Het duister is mij licht genoeg?
Over de hanenbalken hingen jutezakken, een bos touw. Steffens blik was vragend, niet uitnodigend, maar observeerde strak. Was er iemand die de moed had? Wie durfde onrechtmatig dit heilig sacrament te vieren, wie durfde avondmaalsganger te zijn en meende voldoende ongegronde vrijmoedigheid te bezitten? (…)
Sommigen maakten wel kleine gebaren met hoofd en handen, stonden op het punt, kwamen toch niet overeind. Nee, niemand had de moed. De Tafel was voor niets gedekt en toebereid. Ze was te afschrikwekkend.
Jan Siebelink, ”Knielen op een bed violen” (uitg. De Bezige Bij)