Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Geloven zoals opa - of niet

 1 van 7  

Naast grote stapels Amerikaanse romans verkopen christelijke boekhandels ook het nodige werk van eigen bodem. Vooral van reformatorische auteurs als J. F. van der Poel, J. D. Heemskerk, Els ten Voorde. In die boeken geen vanzelfsprekend geloof -zoals in veel Amerikaanse fictie- maar een veel omzichtiger manier van spreken over de verhouding tussen God en mens.
Het eerste wat opvalt aan de boeken uit de Citer- en de Vlinderreeks: de reformatorische nestgeur. Hoe ver de hoofdpersonen ook van het rechte pad afdwalen, er is altijd die achtergrond van vertrouwde klanken en beelden. Neem het typisch reformatorische taalgebruik waarin geloofszaken aan de orde gesteld worden: ”Is dat niet te werelds en ter ere van de mens?” Of: ”Echt jammer dat de dominee vandaag niet kon voorgaan.” Of: ”Als gevolg van de zonde is het een grote puinhoop geworden. Denk jij dat God daar behagen in schept?”

Misschien is dat wel de reden waarom de zes romans die hier aan de orde zijn, zich verheugen in een grote populariteit bij het christelijke lezerspubliek. Geregeld weten ze zich een plek te veroveren in de toptienen van de christelijke boekhandel - ondanks al het Amerikaanse geweld.

Discussies
Verschil in benadering is er intussen wel. Jan van Reenen en J. F. van der Poel gaan voor het dramatische verhaal. Zij laten hun lezers kennismaken met alle mogelijke problemen van de wereld: drank, verslaving, suïcide, seks, geweld. Dat loopt natuurlijk uit op diepe ellende, waarna er, tegen het eind van het verhaal, uiteindelijk een wending ten goede volgt.

Het gaat allemaal gepaard met de nodige discussies over kleding, over kerkgang, over televisie en internet, over geloofsbeleving, over de mogelijkheden van een relatie met een onkerkelijke jongen of een ongelovig meisje. Die discussies kennen overigens opvallend vaak een open einde. Allerlei standpunten komen langs, maar kennelijk mag de lezer zelf kiezen wie er nu gelijk heeft: de meer evangelisch georiënteerde jongen of zijn bevindelijke moeder, de traditionele boerenzoon of zijn iets rekkelijker vriendin.

Geesje Vogelaar-van Mourik, Els ten Voorde, Thea Zoeteman-Meulstee en J. D. Heemskerk schrijven rustiger, zij zoeken het minder in een opeenstapeling van dramatische gebeurtenissen. In hun verhalen gaat het om relationele problemen, veroorzaakt door geheimen uit het verleden, door depressiviteit, door ziekte, door verbroken relaties. Meer aandacht voor het innerlijk van de hoofdpersonen dus, en minder heftige discussies over allerlei praktische en ethische zaken.

Jong en oud
Hoe hebben deze zes auteurs geprobeerd de verhouding tussen God en mens in hun verhalen te beschrijven? Opvallend anders dan hun Amerikaanse collega’s, dat is meteen duidelijk. Hier geen vanzelfsprekend geloof, geen rotsvast vertrouwen, geen ”kiezen voor God.” In plaats daarvan vragen en twijfels en het besef dat een zondige mens niet zómaar verzoend is met zijn Schepper. Ook hier komen vragen aan bod over levensleiding, maar daarnaast is er aandacht voor vragen over geloof en bekering.

Bij aandachtige lezing kom je trouwens al snel tot veronderstellingen over de ’ligging’ van de auteurs: de een brengt zijn hoofdpersonen tot een duidelijke relatie met God, de ander spreekt zich daar niet over uit, of houdt het op een voorzichtig verlangen naar bekering. Maar hoe verschillend deze schrijvers wat dat betreft ook mogen zijn, één ding hebben ze gemeen: ze houden zich voortdurend bezig met vergelijkingen tussen de generaties.

Aan de ene kant heb je de auteurs die een bekeerde opa, oma, vader of moeder als lichtend voorbeeld opvoeren. De kinderen en kleinkinderen zijn zo ver nog niet en vragen zich af of ze ooit zo ver komen. Ze voelen zich zondig, onwaardig, leven met hun schuld en met een besef van Gods heiligheid en soevereiniteit, zijn jaloers op echte kinderen van God, bidden om bekering maar kunnen eigenlijk niet bidden. ”Ik moet vragen om een gebed voor een gebed.”

Aan de andere kant zijn er de schrijvers bij wie een mens juist niet oud en ervaren hoeft te zijn om iets van het leven met God te kennen. In hun verhalen spreken jongeren -hoe voorzichtig en reformatorisch verantwoord ook- juist vrijmoediger en bewuster over het geloof dan hun tobberige of negatief doende ouders.

Spiegel
Die generatiekloof is dan ook het grote probleem van de huidige reformatorische wereld. Met z’n zessen vormen deze schrijvers een spiegel van de manier waarop reformatorische mensen daarmee bezig zijn. O’f ze vallen terug op het oude, bevindelijke leven van vroeger als norm - soms zelfs een bijna onhaalbare norm. O’f ze hebben voorzichtige kritiek op het al te strenge keurslijf van wereldmijding, spreken het vermoeden uit dat jongeren daardoor ontsporen, en pleiten voor een wat opener houding. O’f, dat kan ook nog, geloofsvragen spelen nauwelijks een rol, het blijft bij een reformatorisch sfeertje op de achtergrond.

Intussen komt het allemaal veel afstandelijker over dan de Amerikaanse fictie van vorige week. Ook al hebben deze Nederlandse schrijvers ongetwijfeld de beste bedoelingen en proberen ze het allemaal zo liefdevol en warm mogelijk te brengen, ze schrijven vaker ”erover” dan ”eruit”. Al te vaak gaat het over wel of niet naar de kerk gaan, over leven naar Gods wetten, over lezen en bidden - maar niet over de persoonlijke motivatie daarachter. Je blijft als lezer vanaf de buitenkant naar de hoofdpersonen kijken, van een afstandje, en het lukt je niet om van buiten naar binnen te komen.

Dat is overigens geen kwestie van ”de zaak niet ernstig genoeg nemen”, dat is een kwestie van ”niet volledig in de huid van de hoofdpersoon kruipen”, van vertellerskwaliteiten dus. Wie als schrijver wil proberen iets van het geloofsleven over te dragen, moet immers allereerst bereiken dat de lezer zich kan identificeren met zijn hoofdpersoon. Daar schort het in deze verhalen nogal eens aan. Al gebiedt de eerlijkheid wél te zeggen dat er het nodige verschil is tussen de genoemde auteurs: sommigen schrijven nogal onbeholpen proza, terwijl anderen veel soepeler de pen hanteren en ook veel betere karakters neerzetten.

Losse draadjes
Ook bij het neerzetten van het geloofsthema is er de nodige diversiteit. J. D. Heemskerk en Geesje Vogelaar-van Mourik zijn degenen die -ondanks inhoudelijke verschillen- deze lijn in hun verhalen het meest bevredigend uitwerken en afronden. Maar bij J. F. van der Poel en Jan van Reenen lijken de diepste geloofsvragen soms te verdrinken in de vloed van discussies en gebeurtenissen, de hoofdpersoon van Thea Zoeteman-Meulstee beperkt zich tot het stellen van de waaromvraag en het bidden in nood, en bij Els ten Voorde heeft het geloof eigenlijk niets met het verhaal zelf van doen en komt het maar weinig en zijdelings ter sprake.

Een opmerkelijk verschil met de Amerikaanse romans is dan ook dat het aan het eind van het verhaal niet helemaal goed hoeft te komen met de hoofdpersoon. Dat wil zeggen, wél qua liefdesleven, maar niet qua geloofsleven. Hier dus niet die al te rechtstreekse koppeling tussen Godsvertrouwen en een goede afloop van het verhaal. Ergens is dat wel positief. Maar tegelijkertijd kun je je ook weer afvragen of het écht beter is: een happy end voor de hoofdpersonen zónder dat daar veel geloof aan te pas komt. Het zou dieper gaan als het andersom was: geloof zonder dat er een happy end aan te pas komt. Juist omdat je als lezer vaak het gevoel overhoudt dat de zaak op dit punt gewoon niet afgerond is, dat de schrijver zich alleen bekommerd heeft om de afronding van zijn grote liefdesthema, en de losse draadjes van het geloofsthema er maar een beetje bij heeft laten hangen.

Dat leidt dan onvermijdelijk tot de vraag: Waarom lukt het reformatorische schrijvers -en lezers- vaak niet zo goed om geloof en leven onlosmakelijk met elkaar te verbinden? Heeft het te maken met een loskoppelen van het tijdelijke en het eeuwige? Of met het feit dat mensen zichzelf niet zo snel een waar geloof durven toeschrijven en dus ook niet zo snel de link met hun eigen leven durven leggen? Dat zijn vragen waarover de hoofdpersonen van reformatorische romans best mogen nadenken.


Hij hoopt maar dat haar vader tussen de regels door begrijpt wat hij hem zeggen wil. Dat zijn dochter is teruggekeerd naar de God van de Bijbel én dat ze weer contact met haar ouders wil. Inderdaad komt er voor het eerst iets van verbazing op het gezicht van de man.

"Trouwen jullie ook in de kerk?" vraagt hij ongelovig.

Nu verder gaan, denkt Matthijs. "Jazeker. Natuurlijk kunnen uw vrouw en u (…) niet precies weten welk een veelbewogen tijd uw dochter achter de rug heeft. Daarin heeft ze geleerd dat de Heere God is. Al voor ik haar leerde kennen, is ze met de kinderen naar de kerk teruggekeerd. Ze heeft jaren geleden belijdenis en ook schuldbelijdenis gedaan. (…)"

J. D. Heemskerk, "Als bloemen opengaan" (uitg. De Banier)

Wie durft een oordeel over zo iemand uit te spreken? Hoeveel verslavingen zijn er niet in ons leven. In het begin heb je er nog moeite mee, tot je er in gevangen bent en vastzit in het net van begeerte. Dan bezwijkt je ziel eronder en kun je het alleen niet meer aan. Je weet dat je verloren bent en het alleen met je Schepper moet uitvechten, maar die Schepper is toch barmhartig en genadig? Ja, zolang je nog om vergeving kunt vragen. Maar als de macht van satan zo groot wordt dat je God niet meer durft aan te roepen in nood en er dan zelf maar een einde aan maakt… nee, nooit… Gaf God toch genade aan Evert? Hij weet het niet meer.

J. F. van der Poel, "In de storm van dit leven" (uitg. Citerreeks)

Wat heeft ze het moeilijk gehad met de godsdienstige ideeën van haar kinderen (…). Ze begrijpt best dat het geloof iets persoonlijks is, waarover alleen de Heere kan oordelen, maar het doet haar toch verdriet dat haar dochter zo gemakkelijk aan het Avondmaal gaat. Het zal vreselijk zijn als je meent in de hemel te kunnen ingaan en je moet buiten blijven staan. Beter is het honderdmaal te twijfelen dan één keer de foute keuze te maken.

Wim ontwikkelt zich in evangelische richting en dat vindt ze veel erger. (…) Het is haar een raadsel hoe Wim het beproefde, van de vaderen overgeleverde geloof kan verlaten. Bij de evangelischen hoef je helemaal geen zonde te kennen, lijkt het. (…)

Jan van Reenen, "Op dood spoor" (uitg. Citerreeks)

"Ik heb het fijnste beroep dat er bestaat", antwoordde Tessa. Ze duwde de papieren terug in haar tas.

"Naast predikant is dat ook het mooiste beroep", merkte Sanne op. "Je kunt de kinderen de allerbelangrijkste zaken iedere dag bijbrengen."

Tessa knikte. "Dan moet je dat zelf wel kennen", zei ze, terwijl ze haar voeten langzaam over Wolfs rug heen en weer liet gaan. "Weet u, soms voel ik het nog meer voor de kinderen dan voor mezelf."

Wat moest ze nu zeggen? Als een mens voelde dat hij sterven moest en God ontmoeten, kreeg hij ook met zijn naaste te doen. Hoe was dat met Tessa? Ze wist dat Tessa veel met die dingen bezig was, maar hoe zat dat precies?

Geesje Vogelaar-van Mourik, "Dauwdruppels" (uitg. De Banier)

Voordat ze het Bijbeltje opent, aait ze zachtjes over de versleten kaft. Wat een dierbare herinneringen heeft ze aan dit geschenk van haar grootmoeder. Een vrouw vol getuigenis. Zo veel tegenslagen had zij in het leven te verwerken gekregen en toch was ze blijven geloven. Door de tegenslagen had ze Hem juist steeds meer nodig gekregen. Er ging geen dag voorbij zonder dat zij getuigde over de liefde van haar God. Cathy kan niet precies omschrijven wat ze voelde als ze bij haar grootmoeder was. Jaloersheid is niet het goede woord, bewondering ook niet. Het warme gevoel dat haar doorstroomde als ze aan de oude vrouw denkt, hoopt zij ook op te wekken bij de mensen om haar heen. Zover is ze nu echter nog niet.

Els ten Voorde, "Vallei vol tranen" (uitg. De Ramshoorn)

"Aan al deze dingen kun je zien dat het einde nadert. Het einde der tijden." Dat waren opa's woorden. Haar opa, de vader van haar vader, is enkele jaren geleden overleden. Die goeie, lieve opa.

"Het zijn de voetstappen van de Heere, Irene! Zul je dat nooit vergeten? Als je iets leest in de krant, of je hoort over het nieuws iets van een ramp, denk er dan aan: wéér een voetstap. En iedere voetstap komt dichterbij. Totdat Hij zo dichtbij gekomen is dat de wederkomst aanstaande is. Zul je dan bereid zijn, Irene?"

Haar opa kon haar zo in alle ernst waarschuwen! En op zo'n manier dat het indruk heeft nagelaten. Ook na zijn dood.

Thea Zoeteman-Meulstee, "Bevrijdingskind" (uitg. De Banier)


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek