Filosoof Immanuel Kant stempelde moderne denken

Filosoof Immanuel Kant stempelde moderne denken -  Immanuel Kant (1724-1804). Foto AFP

Immanuel Kant (1724-1804). Foto AFP

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) is een van de grootste figuren uit de geschiedenis van de filosofie. Zijn werk is geen gemakkelijke kost, maar wel van belang om kennis te nemen van de achtergronden van de huidige, moderne cultuur. Zijn ideaal van de autonomie is van fundamentele invloed geweest.

In 2009 voltooide uitgeverij Boom met de ”Kritiek van het oordeelsvermogen” –na ”Kritiek van de zuivere rede” en ”Kritiek van de praktische rede”– een uitgeefproject. De drie Kritieken van Immanuel Kant waren daarmee voor het eerst integraal leverbaar in een Nederlandse vertaling van Jabik Veenbaas en Willem Visser. Nu zijn ze als set beschikbaar, samen met het bevattelijk geschreven boek ”Kants Kritiek van de zuivere rede. Een leeswijzer” van Karin de Boer.

Kants ”Kritiek van de zuivere rede”, gepubliceerd in 1781, vormt de neerslag van een filosofische ontdekkingstocht naar de aard en de grenzen van menselijke kennis. Kant wilde met zijn kritiek een antwoord bieden op de situatie dat in het tijdperk van de verlichting de mens steeds meer het besef gevoelt dat hij vrij is om voor zichzelf te beslissen wat waar en nastrevenswaardig is. Kants befaamde definitie van de verlichting luidt: „Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander.”

Kant zag hoe de wetenschap, de cultuur en de maatschappij van zijn tijd zich probeerden te ontworstelen aan ieder theoretisch, moreel en religieus dogmatisme. Er was in de tweede helft van de achttiende eeuw een strijd van het moderne denken tegen traditionele wereldbeelden. De belangrijkste discussie betrof de relatie tussen geloof, rede en wetenschap.

Er waren drie kampen. Het eerste werd vertegenwoordigd door de filosoof Christian Wolff, aanhanger van de traditionele metafysica (wetenschap die zich bezint op de oorsprong van de zintuiglijke werkelijkheid). Het tweede kamp bestond uit piëtistische theologen. Zij benadrukten dat geloof aan het gevoelsleven ontspringt, beschuldigden Wolff ervan de vrije wil te ontkennen en zagen zijn rationalisme als opmaat naar atheïsme. De derde groep bestond uit filosofen die beïnvloed waren door empiristen zoals John Locke en David Hume. Zij legden het accent op de ervaring en stonden sceptisch tegenover de speculaties van de bestaande metafysica.

Kant wilde een einde maken aan de botsing tussen deze groepen. Hij wees natuurwetenschap en metafysica elk hun eigen terrein toe. Tegelijkertijd maakte hij ruimte voor een moreel en religieus wereldbeeld dat niet langer hoefde te concurreren met wetenschap of metafysica. „Door het geloof een eigen domein toe te wijzen kwam Kant tegemoet aan de piëtistische kritiek op Wolffs rationalisme”, aldus Karin de Boer.

Kant stelde dat de natuur zich richt naar ons kenvermogen, in plaats van omgekeerd. Hij noemde dat een copernicaanse wending. Zoals Copernicus de waargenomen bewegingen in het heelal niet zocht in de voorwerpen van de hemel maar in de toeschouwers, zo zoekt Kant de basisvoorwaarden voor het kennen van de natuur niet in de dingen buiten ons, maar in onszelf.

In de ”Kritiek van de zuivere rede” onderzoekt hij de mogelijkheid van zuivere, theoretische kennis. Hij betoogt dat kennis beperkt blijft tot het domein van de ervaring, en dat we geen kennis in eigenlijke zin kunnen hebben over de ziel, de wereld als geheel en God, Die de ervaring te boven gaan. Maar de realiteit van die begrippen kunnen we ook niet weerleggen. Zo maakt hij ruimte vrij voor ethiek en religie.

Karin de Boer ziet de ”Kritiek van de zuivere rede” als een werk dat draait om de emancipatie van de filosofie. Kant verwerpt de metafysica niet, het nadenken over God, ziel en onsterfelijkheid, maar probeert inzicht te verschaffen in haar onvermijdelijke grenzen.

In de ”Kritiek van de praktische rede” betoogt Kant dat we als moreel handelende wezens boven de zintuiglijke ervaring uitstijgen en deel hebben aan de wereld van de bovenzintuiglijke ideeën: de ziel, de wereld en God. Deze hebben binnen het domein van de theoretische kennis echter alleen een zogeheten „regulatieve” en subjectieve betekenis. Als moreel handelende wezens moeten we stellen dat we vrij zijn, dat we onsterfelijk zijn en dat er een God bestaat die ons morele handelen met onsterfelijkheid kan belonen.

De mens wordt bij Kant een burger van twee werelden. Enerzijds maakt hij deel uit van de zintuiglijke wereld, anderzijds overstijgt hij door zijn morele vrijheid die wereld en heeft hij deel aan een hogere wereld van de geest. In de ”Kritiek van de praktische rede” vervullen twee dingen het gemoed van Kant met steeds toenemende bewondering en eerbied: de sterrenhemel boven hem en de zedelijke wet in hem. Het eerste maakt hem tot een „dierlijk schepsel”, het tweede „verheft mijn waarde als intelligentie oneindig door mijn persoonlijkheid, waarin de morele wet me een leven openbaart dat onafhankelijk is van het dierenrijk en zelfs van de hele zintuiglijke wereld”.

In de ”Kritiek van het oordeelsvermogen” beschrijft Kant ten slotte hoe de mens het primaat van zijn vrijheid en moraliteit in de natuur kan verwerkelijken. Het gaat om de verbinding tussen de theoretische en de praktische rede, die Kant ziet in een bezinnend oordeelsvermogen dat natuur en vrijheid c.q. zedelijkheid met elkaar verbindt. Hij brengt dan vooral het specifieke werkterrein van dit oordeelsvermogen in kaart: het schone en verhevene (het esthetisch oordeelsvermogen) en de betekenis ervan voor het morele.

Het feit dat er in de natuur een doel en bedoeling is, leidt Kant ten slotte tot de theologie. De mens is het laatste doel van een door God geleide ordening, omdat hij zich de natuur met zijn verstand ten nutte kan maken en omdat hij het enige wezen is dat al die doelmatige organismen door zijn rede tot één doelmatig systeem kan samenvoegen.

Van Kant is de bekende uitspraak dat hij het weten wilde opheffen om voor het geloof plaats te maken. Maar Kant blijft een grondeloze optimist als het gaat om de kracht van de rede en het bestaan van de goede wil. Hij zegt dat er nergens ter wereld, en zelfs niet daarbuiten, iets denkbaar is wat zonder enige beperking voor goed kan doorgaan dan een goede wil.

Volgens hem is de mens van nature slecht. Niet zomaar door gebrek aan het goede, maar door radicale kwaadaardigheid, fundamenteel menselijk tekort. Toch verwerpt Kant de erfzonde, omdat hij ervan uitgaat dat het kwaad niet in staat is de kern van de goedheid aan te tasten die de mens van nature is meegegeven. De verdorvenheid van de mens bestaat alleen in de willekeurige neiging naar stelregels te handelen waarin zedelijke motieven ondergeschikt worden gemaakt aan andere, niet-zedelijke motieven.

Bij Kant blijft religie een rationele, morele religie die uitsluitend de morele bestemming van de mens dient. Als moreel wezen heeft de mens besef van zijn onaantastbare waardigheid, die volgens Kant gelegen is in de zedewet. Deze moet de mens onvoorwaardelijk gehoorzamen, zonder dwang van buitenaf. Kant spreekt wel over Christus, maar Deze is voor hem geen goddelijk Persoon, maar de personificatie van de zuiver morele gezindheid en volkomenheid van de mens.

Wie het werk van Kant leest, maakt kennis met een denkwijze die tot op de dag van vandaag de cultuur, de samenleving maar ook de kerk en de theologie stempelt. Gedachten van de autonomie (contra heteromie: het bepaald worden door of afhankelijk zijn van voorschriften of wetten van een ander), de rede als gezaghebbende instantie ten aanzien van de openbaring, de nadruk op het kennend subject (tegenover de werkelijkheid), zijn voor een belangrijk deel aan het gedachtegoed van Kant ontleend. Na Kant en de verlichting kunnen we niet meer terug. Des te meer zaak om de rede vanuit een christelijk openbaringsperspectief een plaats te geven, namelijk als onderhorig aan de openbaring en het geloof. Een boedelscheiding doet geen recht aan het feit dat rede en geloof beide voor de opdracht staan de Bijbelse openbaring te doordenken.

Kants Kritiek van de zuivere rede. Een leeswijzer, Karin de Boer; uitg. Boom, Amsterdam, 2011; ISBN 978 90 8506 677 4; 160 blz.; € 14,90;

Kritiek van de zuivere rede; Kritiek van de praktische rede; Kritiek van het oordeelsvermogen, Immanuel Kant; uitg. Boom, Amsterdam (ISBN 90 5352 702 8; 689 blz.; ISBN 978 90 8506 922 5; 230 blz.; ISBN 978 90 8506 348 3; 480 blz.); complete set tot 1 mei € 99,00, daarna € 154,25.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek