Klein verzet van buitenbeentje Katelijne
Rianne Wisse-Roest (1984) uit Amersfoort. Gehuwd. Werkt als arts-assistent in het Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede.
Gerard Ros (1980) uit Ede. Promovendus aan de Wageningen Universiteit. Leest ten minste vijf boeken per week.
Rianne: „Toen ik begon te lezen vroeg ik me af of dit weer zo’n boek was waarin een schrijver zich afzet tegen zijn achtergrond, zoals Maarten ’t Hart dat doet. Dat bleek niet zo te zijn. Ik vond het eerder een nuchter boek, waarbij Franca Treur vooral de sociologische kant van het leven van een bevindelijk gereformeerd gezin in Zeeland beschrijft.”
Arjan: „Ik voelde me tijdens het lezen meegenomen in de leefwereld van een kind. Het is knap als je dat als schrijver weet te bereiken. Je ziet het leven door de ogen van Katelijne, je maakt mee hoe zij de dingen beleeft, hoe haar ouders en haar broers met haar omgaan. Het is een meisje dat verwonderd in het leven staat en de wereld wil ontdekken. Omdat haar omgeving haar in een keurslijf dwingt, voelt zij zich een buitenbeentje.”
Gerard: „Franca Treur schrijft heel goed, met mooie zinnen. Je kunt je wel afvragen of zij de realiteit weergeeft. Maar de afzonderlijke elementen van het verhaal zijn wel zo herkenbaar dat er een goede tekening ontstaat van een teruggetrokken gezin in de gereformeerde gezindte.”
Arjan: „De agrarische cultuur en het orthodox-christelijke geloof zijn in dit boek onlosmakelijk met elkaar verbonden.”
Gerard: „Eigenlijk gaat het verhaal over een meisje dat zich ontwikkelt tot een zelfdenkend individu. Katelijne leest de Bijbel nét iets anders dan haar ouders, ze denkt na over de interpretatie van bepaalde gedeelten, terwijl haar omgeving dat niet doet.”
Rianne: „Franca Treur beschrijft het milieu waarin ze is opgegroeid op een milde manier. Ze laat zich positief uit over de zuil; Katelijne voelt zich erin thuis en ervaart de warmte ervan. Ik vind niet dat Franca Treur de spot drijft met wat er in het gezin gebeurt, ook niet dat ze spot met God of met het geloof van Katelijnes bekeerde oma. Ze houdt van het leven van haar jeugd, dat merk je.”
Arjan: „De humor die ze ook bij geladen onderwerpen hanteert is niet gericht op het wegzetten van een groep. Bij Maarten ’t Hart heb ik dat gevoel veel sterker. Toch kunnen mensen pijnlijk geraakt worden door bepaalde passages. Als haar oma tobt met de vraag of haar overleden man goed heen is, verzint Katelijne een verhaal om haar gerust te stellen. Dat doet ze met humor. Ik kan me voorstellen dat mensen zich daardoor gekwetst voelen.”
Gerard: „Voor mensen die leven en denken zoals Katelijnes oma kan dit veroordelend overkomen. Als je echt gelooft dat een predikant of een bekeerde vrouw kan bevestigen of iemand behouden is, dan is elke ironie of humor daarover ongepast.”
Rianne: „Ik vind niet dat Franca Treur ironisch is. Wel krijg je de indruk dat ze de dorpsgemeenschap, het boerengezin, het bevindelijk gereformeerde milieu wat achterlijk vindt, hoewel ze er liefdevol over schrijft. Als je zelf ook uit zo’n dorp of gemeenschap komt, kan dit boek daarom best confronterend zijn. Het kan ook kwetsend overkomen dat Franca Treur de tale Kanaäns in haar verhaal gebruikt. De oma voert bijvoorbeeld een geestelijk gesprek met tante Kee terwijl deze melkvellen zit te eten; af en toe komen wat bevindelijke termen langs. Zo lijkt het bijna een achterlijk tafereeltje. In die hoek zou je je als reformatorische lezer gedrukt kunnen voelen.”
Gerard: „Franca Treur zet een gekleurd beeld neer. Gebeurtenissen die misschien wel waar zijn, worden vergroot.”
Rianne: „Er zitten meer kanten aan de reformatorische gezindte dan zij schetst. Ik ben blij dat ik maar deels haar verhaal herken.”
Arjan: „Buitenstaanders worden bevestigd in hun vooroordelen over de gereformeerde gezindte: er mag niks, de mensen hebben allerlei vreemde ideeën over hoe je moet leven…”
Rianne: „Dat kan stigmatiserend zijn. Als je dit boek als buitenstaander leest, kun je inderdaad het gevoel krijgen dat de bevindelijk gereformeerde cultuur slechts uit regels, tradities en verhalen bestaat en dat de inhoud alleen terug te vinden is bij een enkeling zoals de oma. Er komt heel weinig van het Evangelie en van het persoonlijke geloof in God naar voren. Dat maakt het ook wel weer een koud verhaal.”
Gerard: „Je merkt in het boek inderdaad weinig van echt geloof, dat mensen God werkelijk kennen en wat voor betekenis dat voor hen persoonlijk heeft. Franca Treur beschrijft vooral de buitenkant van de bevindelijk gereformeerde cultuur.”
Rianne: „Behalve bij de oma dan. Typerend is weer wel dat zij wordt gerustgesteld door een verhaal dat Katelijne verzint. Uiteindelijk kun je alleen getroost worden door het Woord van God. Het emotionele is voor de oma blijkbaar voldoende. Dat is wel schrijnend.”
Arjan: „Het zou goed zijn wanneer er in de gereformeerde gezindte een positieve roman tegenover dit boek zou worden gezet. En dan niet als een soort verdediging.”
Gerard: „Literatuur is geen evangelisatiemiddel. Het kan positieve en negatieve dingen oproepen. Wij zijn extra gevoelig voor de negatieve elementen in dit boek omdat we zelf deel uitmaken van de reformatorische gezindte. Lezers moeten kritisch zijn. Als ik moderne literatuur lees, denk ik ook wel eens: als mensen écht zo zijn, zou ik geen dag verder willen leven. Maar ik weet dat zo’n verhaal is gechargeerd.”
Arjan: „Het is geen wetenschappelijk werk dat een genuanceerd beeld probeert te schetsen, maar een roman. Daar hoort een bepaalde manier van lezen bij.”
Rianne: „De gesprekken die Katelijne voert met haar oma staan symbool voor het hele verhaal. Katelijne voelt liefde voor haar oma en heeft respect voor haar geloof, al stinkt het in haar keuken en slaat ze voortdurend zilvervisjes dood met de Saambinder, wat Katelijne vreselijk vies vindt. Dat is het dubbele van het hele boek. Hoewel Katelijne zich thuis voelt bij de warmte van haar milieu, verlangt ze er af en toe naar om de buitenwereld te verkennen.”
Arjan; „Er is sprake van klein verzet. Ze gaat bijvoorbeeld naar de kermis…”
Gerard: „Op een tweede pinksterdag, als het gezin een uitje maakt, loopt ze zomaar naar een man op de dijk en vraagt ze of ze bij hem mag wonen. Op dat moment wil ze kennelijk helemaal weg uit het milieu. Ze vindt het beklemmend, hoewel ze er aan de andere kant geluk ervaart.”
Rianne: „Ze voelt zich af en toe ook schuldig, bijvoorbeeld als ze sprookjes leest. Ze boeien haar enorm, terwijl ze van haar ouders weet dat het niet goed is om ze te lezen. Als ze het eens heeft over een sprookjesfiguur, wordt ze meteen gecorrigeerd.”
Arjan: „Dat is de cultuur waarin ze leeft. Ze wordt daarin niet begeleid, maar juist tegengewerkt. Als ze wil ontdekken wat seksualiteit inhoudt –omdat de meester het erover heeft gehad– dan wil de vader daar niet op ingaan. Ze pakt een woordenboek om meer te weten te komen, maar daar wordt ze niet wijzer van.”
Gerard: „Dat is de les van dit boek. Als mensen alleen maar regeltjes hebben om hun leven te structureren en de dieperliggende overtuiging ontbreekt, dan kunnen ze die ook niet overbrengen op hun kinderen.”
Rianne: „De ouders van Katelijne leggen inderdaad niet uit waarom ze ergens tegen zijn. Binnen de familie wordt niet echt gepraat. Het gaat altijd over anderen of het zijn losse opmerkingen. Een inhoudelijk gesprek over de preek komt niet op gang, de kinderen hoeven alleen de punten te herhalen. Ik ben bang dat dit voor meer reformatorische gezinnen geldt. Terwijl een gesprek uiterst belangrijk is, zeker als jongeren zitten met vragen over het geloof. Daarom denk ik dat dit boek een aanleiding kan zijn om een gesprek in het gezin aan te gaan. Voor ouders kan het als een spiegel fungeren: Hoe doen wij het? Ik denk dat we niet altijd beseffen wat voor impact de manier waarop het geloof wordt geschetst op kinderen heeft. Het Gods- en mensbeeld dat je in je jeugd meekrijgt, blijft je hele leven bij.”
Kinderlijke kanttekeningen bij de bevindelijke leer
Franca Treur beschrijft in ”Dorsvloer vol confetti” de lotgevallen van de 12-jarige Katelijne, een meisje dat in de jaren tachtig en negentig tussen zes broers opgroeit op een melkveehouderij in Zeeland.
Katelijne is een wat naïef en wereldvreemd kind dat zich buitengesloten voelt en hunkert naar aandacht. Thuis op de boerderij is ze als enig meisje niet nodig voor het werk. Haar moeder is een verwoed tuinliefhebber, terwijl Katelijne zich liever in boeken verdiept en zelf verhalen bedenkt.
Als boerendochter staat ze ook buiten de leefwereld van de meisjes uit haar klas. Ten slotte voelt ze zich in de kerk een buitenstaander omdat in de bevindelijk gereformeerde leer de zaligheid voor maar enkelen zou zijn weggelegd.
Katelijne plaatst op een kinderlijke manier kanttekeningen bij aspecten van de bevindelijk gereformeerde leer, zonder dat ze zich ontworstelt aan het milieu waarin ze opgroeit.
„Franca Treur is geen nieuwe Maarten ’t Hart, zeker niet”, aldus Enny de Bruijn in het RD van 4 november 2009. „Ze hoort bij een volgende generatie auteurs die met mildheid naar de eigen bevindelijke achtergrond kijken wil. Maar daar hoort wél de nodige vervreemding bij, een vervreemding die heel subtiel in de formuleringen sluipt.”
Dorsvloer vol confetti, Franca Treur; uitg. Prometheus, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 446 1023 9; 222 blz.; € 17,95.
Franca Treur
Franca Treur (1979) groeide op in een bevindelijk gereformeerd milieu in het Zeeuwse Meliskerke, waar haar ouders een melkveebedrijf runnen. Op 20-jarige leeftijd deed ze openbare geloofsbelijdenis in de gereformeerde gemeente van haar woonplaats.
Treur studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de universiteit van Leiden. Ze woonde er in een huis met reformatorische medestudenten en werd lid van de studentenvereniging CSFR.
In haar studietijd ging ze onder invloed van Schriftkritische wetenschap steeds meer twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. Uiteindelijk brak ze helemaal met het christelijke geloof.
Drie jaar geleden won Treur de essaywedstrijd over het thema ”Macht en onmacht” die Contrast Magazine en nrc.next hadden uitgeschreven. Uitgeverij Prometheus benaderde haar daarop met de vraag of ze een roman zou willen schrijven.
Voor haar debuut ”Dorsvloer vol confetti”, dat afgelopen najaar verscheen, leende ze het decor van haar jeugd, hoewel ze aanvankelijk niet van plan was een roman over haar reformatorische achtergrond te schrijven.
Het boek beleefde in korte tijd zes drukken. Treur woont in Amsterdam. Ze schrijft voor NRC Handelsblad en is medewerker van nrc.next.