De christelijke boekhandel heeft een praktisch probleem. Er is genoeg voorhanden voor lezers die een beetje vermaak willen, een spannend verhaal waarbij je niet te diep hoeft na te denken, en zeker niet over mens- en wereldbeelden. Maar als je als lezer meer van een boek verwacht, als je niet puur op vermaak gericht bent, heb je niet zo heel veel keus. Af en toe verschijnt er wel wat -met name bij uitgeverij Mozaïek- maar toch niet genoeg om helemaal te voldoen aan de groeiende behoefte.
Zo krijg je dan in christelijke lezerskringen de situatie dat weinig eisende, op ontspanning gerichte lezers zich tamelijk kritiekloos laven aan avonturen en romantiek met een vertrouwd-christelijke nestgeur, terwijl ervaren lezers nauwelijks christelijke boeken lezen en hun diepste inzichten ontlenen aan de op z’n hoogst humanistische denkbeelden van seculiere schrijvers.
Je kunt je afvragen welke invloed dat heeft. Als lezer krijg je immers altijd iets mee van de achterliggende mentaliteit van een verhaal, of je je dat nu bewust bent of niet. Waar een seculier-humanistische atmosfeer heerst, is het risico duidelijk: christelijke lezers die in een absolute waarheid geloven, hebben een probleem als ze de ideeën in zo’n roman serieus willen nemen. Maar schrijvers die zelf pretenderen christen te zijn, kunnen evengoed een onacceptabele sfeer overbrengen. Juist in de meer reformatorisch gekleurde romans wemelt het bijvoorbeeld van de zielige hoofdpersonen, slachtoffers van de omstandigheden, die narigheid op narigheid overkomt - de vraag is of je op die manier nuchter en kritisch naar jezelf en je medemensen leert kijken. En leidt het wondergeloof van veel Amerikaanse romans niet tot volslagen onrealistische verwachtingen van het leven?
Kortom, iedere roman weerspiegelt de hele levens- en wereldbeschouwing van de schrijver, of hij zich daar nu van bewust is of niet. En schrijvers zijn maar mensen, ze hebben de waarheid niet in pacht.
2. Godsbeeld en mensbeeld in een roman zijn altijd even beperkt als de hoofdpersonen.
Identificatie met de hoofdpersoon is het grote machtsmiddel van de romanschrijver. Als hij zijn lezers zo ver krijgt dat ze in het hoofd van die ene persoon willen zitten, dan krijgt hij ze ook met gemak allerlei overtuigingen en denkbeelden aangepraat. In die zin hebben romans veel invloed: omdat je als lezer in de huid van de hoofdpersoon kruipt, omdat je zijn leven van binnenuit meebeleeft en dus begrijpt waarom hij er zo over denkt.
Als de hoofdpersonen van veel Amerikaanse romans vol overgave vertrouwen op de hulp en leiding van hun Vader in de hemel, heeft dat een bepaalde uitwerking op de lezer: verlangen om ook op die manier te kunnen geloven. Terwijl de veel afstandelijker geloofsbeleving in veel populaire Nederlandse romans dat effect juist helemaal niet heeft: daar lijkt een uitwendig reformatorisch leven minstens zo belangrijk. En dat vormt dan weer een groot contrast met de meer literaire romans, waarin het accent ligt op Gods onbegrijpelijkheid - naast herkenning levert dat de lezer ook gevoelens van onmacht op.
Al die Gods- en mensbeelden zijn onvermijdelijk even eenzijdig en beperkt als de hoofdpersonen van het verhaal waarin ze voorkomen. Dat kan ook niet anders: romans kiezen per definitie voor het menselijke perspectief, en dus zal er nooit een volmaakte of allesomvattende wereldbeschouwing uit zo’n verhaal komen rollen. Niettemin valt er van de ene hoofdpersoon veel meer te leren dan van de andere, dat wel.
3. Levensleiding is het grote thema van alle christelijke romans.
In deze serie zijn 24 romans aan de orde geweest, met de meest uiteenlopende hoofdpersonen, verhalen en problemen. Toch lijken alle christelijke romans ten diepste op elkaar, omdat ze eigenlijk maar één groot grondthema kennen: levensleiding.
Dat is ook heel logisch. Romans gaan altijd over concrete mensenlevens, en schrijvers willen die levens op een of andere manier duiden, betekenis geven. Zo komt het dat eigenlijk alle literatuur gaat over de vraag: hoe verhoud ik mij als mens tegenover de gebeurtenissen die mij overkomen?
Daarbij ontkomt een schrijver er niet aan om verklaringen te zoeken. De een heeft het over het noodlot, de ander over de menselijke keuzes en verantwoordelijkheden, een derde benadrukt de rol van erfelijkheid en opvoeding. En wie als schrijver christen is, zal altijd op een of andere manier nadenken over Gods voorzienigheid in het concrete, dagelijkse leven van mensen. Zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: „Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin heeft overgegeven, maar ze naar Zijn heilige wil alzo bestuurt en regeert dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie.” Dat besef ligt, als het goed is, aan de basis van iedere christelijke roman, zichtbaar of onzichtbaar.
Overigens is er wel veel verschil in de manier waarop schrijvers met dat thema omgaan. In het algemeen geldt: in literaire romans wordt meer accent gelegd op de onbegrijpelijkheid van Gods voorzienigheid: wij mensen weten vaak niet wat Gods bedoeling is, we moeten leren om te vertrouwen en te volgen zonder vragen. Die gedachte komt in de populaire romans-volgens-vast-recept minder aan bod. Daar verklaart de schrijver aan het eind meestal wel hoe het allemaal volgens Gods plan in elkaar zit - soms geloofwaardig, soms al te simplistisch.
4. Reformatorische romans weerspiegelen de problematiek van de gereformeerde gezindte.
Al gaan alle christelijke romans dan over het thema levensleiding, toch is er ook een opmerkelijk verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse populaire romans. Wat dat betreft vormen romans een mooie afspiegeling van het klimaat en de geloofsbeleving in de kringen waarin de schrijvers verkeren.
Reformatorische romanschrijvers uit Nederland blijken ontzettend bezig te zijn met de contrasten in geloofsbeleving tussen ouderen en jongeren. Dat valt echt op als je hun boeken vergelijkt met de meer evangelisch getinte Amerikaanse romans, waar die generatiekloof helemaal geen rol speelt. In Amerikaanse romans gaat het altijd om de persoonlijke relatie tot God en de problemen die in die relatie kunnen ontstaan wanneer de hoofdpersoon door allerlei moeilijke omstandigheden op de proef gesteld wordt. In Nederlandse romans proef je vooral een zoeken naar wat nu echt is: het geloof zoals een bekeerde opa of oma dat beleefde, of het openhartiger, vrijmoediger geloof van een jongere generatie.
Dat laatste blijkt de grote vraag waarvoor de gereformeerde gezindte zich geplaatst ziet: hoe kan het geloof van de vaderen het beste aan een volgende generatie worden overgeleverd? Gaan we terugvallen op het oude, bevindelijke leven van vroeger, of proberen we een opener, minder wereldmijdende houding naar de toekomst toe? De romanschrijvers weten het vaak ook niet, maar ze maken het probleem wel zichtbaar.
5. Hoe beter het schrijverschap, hoe meer de beschreven geloofsbeleving de lezer zal aanspreken.
Onder reformatorische lezers wordt het lezen van moderne literatuur nog wel eens als gevaarlijk beschouwd. Dat heeft vooral te maken met het feit dat goede schrijvers hun denkbeelden met veel meer kracht kunnen neerzetten dan slechte schrijvers. Alles wat schrijvers proberen te zeggen, komt immers beter over naarmate het met meer ambachtelijke vaardigheid gebracht wordt. Ook op het punt van geloofsbeleving dus.
Simpele en voorspelbare verhalen hebben natuurlijk best een functie. Maar ze werken alleen bij lezers die zelf ook niet al te diep nadenken. Lezers die dat wel doen, voelen zich soms in de steek gelaten door de schrijvers van populaire christelijke romans. Zo simpel zit de wereld volgens mijn ervaring niet in elkaar, denken ze dan. En als dat zo is, kan ik dan de geloofsbeleving van deze schrijver wel serieus nemen?
In feite staan christelijke romanschrijvers dus meer dan hun seculiere collega’s voor de taak om zich zo diepgaand en overtuigend mogelijk met de grote vragen van het leven bezig te houden. Juist omdat ze willen dat hun levensovertuiging serieus genomen wordt.
6. Christelijke romans lopen altijd goed af.
In de literaire kritiek is er nogal eens commentaar gegeven op de makkelijke manier waarop veel christelijke schrijvers naar een happy end toeschrijven. Ze laten zien hoe God er in Zijn voorzienigheid voor zorgt dat de problemen van de hoofdpersoon worden opgelost, of dat twee geliefden elkaar vinden, en dan leeft iedereen daarna nog lang en gelukkig.
Literaire schrijvers hebben daarom -zeker in Nederland- nogal eens de neiging om hun verhaal juist droevig te laten aflopen. Vaak komt dat ook geloofwaardiger over: in dit leven worden nu eenmaal niet alle problemen vanzelf door Godsvertrouwen opgelost.
Toch kenmerkt een christelijke levenshouding zich natuurlijk niet door fatalisme en pessimisme: de Bijbel zegt heel duidelijk dat God voor Zijn kinderen zorgt, ook in de kleine dingen van het aardse leven. Wie dat echt serieus neemt, kan niet anders dan hoopvol leven, vanuit het perspectief dat in Bachs cantates zo dikwijls naar voren komt: „Gott der die Auserwählten kennt, Gott der sich uns ein Vater nennt, wird endlich allen Kummer wenden, und seinen Kindern Hilfe senden.”
Dat is dan de ingewikkelde problematiek waarmee christelijke romanschrijvers moeten worstelen. Ze staan altijd weer voor de taak om een hoopvolle mentaliteit te combineren met het besef dat het hier beneden nooit volmaakt wordt. In mensenlevens kunnen de meest ernstige dingen gebeuren, kan alles mis lijken te gaan - een schrijver die geen recht doet aan die gebrokenheid, mist overtuigingskracht. Maar boven alles uit is er ook altijd het eeuwigheidsperspectief: God maakt alle dingen nieuw. Waar dat besef verdwenen is, waar geen hoop en uitzicht meer overblijft, is er niet langer sprake van een christelijke kijk op het leven.
Zo bekeken kan een christelijke roman alleen maar een happy end hebben.
7. Wie romans wil lezen, moet kritisch zijn.
Als het christelijk geloof werkelijk inhoud heeft in je leven, kun je niet anders dan een soort van botsing ervaren, elke keer als een schrijver iets beweert wat met dat geloof in strijd is. Of het nu gaat om een volslagen atheïstische roman of om een zogenaamd christelijke bekeringsgeschiedenis waarbij de mens volledig in het middelpunt komt te staan.
Toch ligt daar ook een levensgroot gevaar op de loer. Het gebeurt maar al te gauw dat je schermt met een ”Bijbelse visie”, terwijl je in feite alleen maar je eigen manier van denken als norm neemt. We zijn allemaal mensen, en we hebben allemaal onze eigen denkfouten en onze eigen blinde vlekken. Daarbij kan het lezen van veel verschillende soorten boeken -reformatorisch én evangelisch, christelijk én niet-christelijk- helpen om die denkfouten een beetje te corrigeren. Toch is dat uiteindelijk niet genoeg. Anders zou je kunnen zeggen: zo veel mogelijk lezen, maakt niet uit wat, en dan kom je op den duur vanzelf in evenwicht. Iedere schrijver een stukje van de waarheid, en als je ze samenvoegt, zie je het geheel. Maar zo werkt het natuurlijk ook weer niet.
Uiteindelijk gaat het niet om het kritisch beschouwen van je lectuur, maar om het kritisch beschouwen van jezelf - tegen de achtergrond van de Bijbelse normen, het Bijbelse wereldbeeld. Daarom staat iedere lezer eigenlijk slechts één ding te doen: de Bijbel zelf lezen. Zo veel en zo lang en zo goed mogelijk - alsof je een roman leest, zo geboeid, zo aan één stuk door, zo voortdurend in gesprek met de Auteur van het Boek.
Die aanhoudende confrontatie met het Woord is toch de enige manier om los te komen van je eigen beperkte, gekleurde blik, om een klein beetje gevoelig te worden voor het perspectief van die God, Die ons begrip en onze beelden ver te boven gaat.