Verhagen oordeelt voorzichtig over het verschijnsel bijna-doodervaring. „Wat het is? Ik weet het ook niet. Ik heb nooit patiënten met zo’n ervaring behandeld. Wel ben ik in de privé-kring vier, vijf mensen tegengekomen die spraken over hun bijna-doodervaring - allemaal orthodoxe christenen.”
Verhagen kan zich voorstellen dat mensen die zoiets meemaken „behoorlijk van slag” raken. „De man van wie ik het laatst hoorde over zijn bijna-doodervaring vond het jammer dat hij weer was teruggehaald. Hij was daar boos en teleurgesteld over.”
Het verbaast Verhagen niet dat mensen hun BDE soms jarenlang verzwijgen. „Zoiets is een heel intense, bijzondere ervaring, vergelijkbaar met een mystieke religieuze belevenis: overweldigend, met waarnemingen van vrede en licht. Dat heeft grote invloed op het leven - net als een bekering. Ook angst om voor gek te worden versleten, kan daarbij een rol spelen. Toch lijkt een BDE mij een verrijking van het leven.”
Op de kop
Verhagen gist ook naar de redenen dat predikanten uit de gereformeerde gezindte soms nauwelijks reageren op BDE-verhalen. „Mogelijk past het niet binnen hun kaders. Theologen zijn misschien niet bereid hun visie op de kop te laten zetten door zoiets als een BDE. Wel moet een predikant als professional over de vaardigheden beschikken om in ieder geval een goed gesprek hierover te hebben met het gemeentelid, al is het volkomen nieuw voor hem. Wegsturen met ”Hier kan ik niks mee” is op zijn zachtst gezegd merkwaardig.”
Verhagen vraagt zich af of bijna-doodervaringen universeel zijn óf dat ze zijn geïnspireerd door eerder opgedane kennis van het hiernamaals. „De orthodoxe christenen die ik hoorde over hun BDE, spraken heel realistisch over een hemelpoort. Ik zou wel eens willen weten of moslims met een BDE die ook hebben gezien, of dat zij hún voorstelling van het hiernamaals hebben ervaren.”
De theoloog-psychiater constateert dat Van Lommel „terecht” vragen oproept over de definitie van klinisch dood zijn en orgaantransplantatie. „Wat doet orgaantransplantatie met het stervensproces. Die versnelt het natuurlijk.”
Uit het boek blijkt volgens Verhagen dat de omgang met comateuze patiënten zeer zorgvuldig moet gebeuren. „Realiseer je altijd dat zij je kennelijk ook kunnen horen. Artsen staan nogal eens te oreren bij het bed van een comapatiënt.”
Beschouwt u bijna-doodervaringen als bewijs dat er ”meer is tussen hemel en aarde”?
Ironisch: „Daar had ik toch al niet veel problemen mee. Het bewijs van God buiten de Bijbel om verdraagt zich niet met ons Schriftgeloof. God laat zich niet door wetenschappelijk onderzoek bewijzen.”