„Op 13 mei 2000 heb ik emoties gevoeld die ik eerder niet kende. Met ons vijven stonden we voor het raam van het huis van mijn moeder in de Renbaanstraat, op ongeveer 100 meter afstand van SE Fireworks. Na een enorme explosie vlogen de ramen eruit en stortten muren om ons in. Op zo’n moment weet je niet waar je het zoeken moet. Vanuit het diepst van je ziel golven emoties omhoog die je niet kunt bevatten; die als het ware geen uitweg kunnen vinden. Je stroomt ervan over. Je wilt hard gillen.
Toen Lia en ik na de ramp terugkeerden naar ons huis in Noord-Holland dacht ik gauw weer aan het werk te kunnen gaan. Dat kon ik dus wel vergeten. Drie maanden lang hebben we thuis op de bank gezeten. We waren helemaal stuk. ’s Ochtends kom je in je pyjamaatje beneden. Je doet de televisie aan. De tranen komen. Je propt wat eten naar binnen. Je slaapt wat. De kast is leeg, dus je sleept je naar de winkel.
We hebben een vijftal gesprekken met een maatschappelijk werker gehad. Dat was waardevol. Je ervaart emoties waarvan je niet wist dat je die kon hebben. Lia en ik hebben onwijs veel aan elkaar gehad. Lia is emotioneler dan ik. Je merkt dat ze gaat huilen nu we over de ramp praten. Na dit gesprek hebben wij zeker een dag nodig om bij te komen.”
Lawinepijlen
„De eerste oudejaarsavond na de ramp hoefde ik geen dienst te doen bij de mobiele eenheid. De knallen zouden te veel blokkades opwerpen om mijn werk goed te kunnen doen. De jaarwisseling daarna had ik wel dienst. De lawinepijlen vlogen ons om de oren. Ik was vreselijk op mijn qui-vive. Nog altijd reageer ik giftig als mensen zitten te spelen met vuurwerk. Ik blijf op afstand als dat spul wordt afgestoken.
Voor familiebezoek gaan we een paar keer per maand naar Enschede. We rijden altijd bewust langs de plek waar het huis van mijn moeder aan de Renbaanstraat heeft gestaan. Toen het puin nog niet was opgeruimd, zagen we altijd een zwartgeblakerd huis met wapperende vitrages. Hup, dan kwamen de tranen. Regelmatig worden we stil als we Enschede binnenrijden. En soms komen de tranen zomaar weer.
Het feit dat Lia en ik terugkeerden naar Noord-Holland, waar niemand de ramp had meegemaakt, heeft de verwerking bemoeilijkt. Mensen kunnen wel meeleven, maar ze begríjpen je niet. Ze zijn niet bij machte je gevoel te raken. Je zit in zekere zin in een kooitje. In Enschede is dat anders. Daar heeft bijna iedereen wel iets van de ramp meegemaakt. Daar praatten ze er in iedere winkel over.
Ik vind mezelf geen held, maar na de explosies heb ik heel erg mijn best gedaan om mensen te helpen. Ik ben drie keer teruggekeerd in het rampgebied en heb buurvrouw Bosman uit haar huis gehaald. Ik ben blij dat ik dat gedaan heb. Ik heb niet geworsteld met vragen als: Had ik die en die nog kunnen helpen?
Later heb ik me vaak afgevraagd: Ben ik nog in staat om anderen in noodsituaties te helpen? Kan ik die knop weer omzetten? Gelukkig wel. In mijn politiewerk heb ik nadien een paar situaties meegemaakt waarin ik onder grote druk moest handelen. Dat pakte positief uit.”
Vluchtroutes
„We kunnen nu redelijk omgaan met onze emoties, maar bij tijden komt de ramp weer in alle hevigheid naar boven. Bij heftig onweer liggen we te rillen in ons bed. Ik heb vluchtroutes in mijn achterhoofd paraat. Die draagt dit kind via het dak naar buiten, die neemt dat kind mee. Toen we op televisie de beelden van de tsunami in Azië zagen, zaten we te huilen op de bank. Vorig jaar vroeg de KRO mij mee te werken aan een programma over wonderen. Ik kwam daarvoor naar Enschede, waar buurvrouw Bosman vertelde dat God haar op wonderlijke wijze had gespaard. Ik vond haar op 13 mei in de kamer naast een stevige muur, terwijl haar huis gedeeltelijk was ingestort. Toen de KRO van mij jaren later een reactie op die gebeurtenis wilde horen, werd ik erg emotioneel. Dat had ik niet verwacht. Zeker, ook ik geloof dat God ons die dag heeft beschermd.”
Enkele fragmenten uit het relaas van Herman van Schaik kort na de vuurwerkramp (RD, 19 05 2000):
„Knal twee was echt een gigantische dreun. Het was heel angstig. De tafels waaiden door de kamer. De voordeur lag eruit. De wc muur kwam naar beneden. De garagemuur was weggeslagen.”
„Knal drie, een paar seconden later, was allesvernietigend. We hadden geen vijf seconden later moeten zijn. De voorgevel van de kamer werd naar binnen geslagen. Wat een puin, onvoorstelbaar. Het leek alsof een reus, die honderd keer groter is dan jijzelf, tegen het huis stond te schoppen. Moeder was totaal verdwaasd.”
„Op straat zag ik een agent lopen. Compleet apathisch. Hij was ingestort. Hij keek me aan, maar hij keek me ook niet aan. Ik heb hem naar de veilige straat gestuurd. Daar zat hij te janken.”
Het volledige verhaal van Herman van Schaik kunt u vinden in het subdossier "Ooggetuigen van toen".