Geheel nieuw in de politiek is dit soort keuzes niet. De D66’er Wijers, minister van Economische Zaken in het eerste paarse kabinet, bestond het in zijn tijd al om een Kamervergadering te verzuimen vanwege de verjaardag van zijn dochter. Wijers, destijds beschouwd als een geschikte opvolger van Van Mierlo, hield het na vier jaar ministerschap voor gezien. Niet dat zijn nieuwe baan bij AkzoNobel níét druk was, maar hij had daar in elk geval zeggenschap over zijn agenda.
Wijers was in 1998 echter een uitzondering. Na vrijdag kan het heel Nederland duidelijk zijn dat dit een nieuwe trend is: politici die geheel overdacht voorrang geven aan gezin of andere privéomstandigheden.
Wie dit verschijnsel wat grondiger analyseert, ziet twee ontwikkelingen die eraan ten grondslag liggen. De eerste is de zich nog altijd voortzettende trend van emancipatie. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten om zich te ontplooien en betaald werk te verrichten, zo is het algemeen verbreide idee. Aan dit ideaal ook praktische consequenties verbinden, is een ontwikkeling die traag maar gestaag voortgaat.
Onderzoekers wijzen erop dat het een internationale trend is dat mensen het bereiken van een goede balans tussen werk en privé een van de belangrijkste zaken in hun leven vinden. Mannen als Bos en Eurlings maken zelfs een radicale keuze: ze laten een glanzende politieke carrière voor wat die is en kiezen na grondig overleg met hun partner voor hun reeds bestaande (Bos) of nog te stichten gezin (Eurlings).
Een tweede ontwikkeling die de door hen genomen stap verklaart, zijn veranderingen in de aard van het politieke bedrijf. Toegegeven, Kamerlid of minister zijn is nooit een tam baantje geweest waarbij je gemakkelijk kon wegdromen. Maar de achterliggende tien jaar is de hectiek aan het Binnenhof wel tot ongekende hoogten opgeschroefd.
Voortgestuwd door de moderne media en door de eigen ambities –wie niet op tv komt, bestaat niet– rent de landelijke politiek van hype naar hype. Dat er ooit een tijd geweest is dat parlementariërs het Kamerlidmaatschap erbij deden, kan zich nu geen volksvertegenwoordiger meer voorstellen. De politiek is een volcontinubedrijf geworden, dat degenen die erin werkzaam zijn –parlementariërs, bewindslieden, voorlichters en journalisten– opslorpt van de vroege morgen tot de late avond. Zij beulen elkaar af en slechts weinigen zijn in staat zo af en toe uit de tredmolen te stappen om zich kritisch op het eigen gedrag te bezinnen.
Het is daarom zeker niet terecht mensen als Bos en Eurlings neer te zetten als watjes die zich door hun vriendin laten ringeloren, of te klagen over het verdwijnen van ”jongens van stavast”. Een omgekeerd oordeel ligt meer voor de hand. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat dit tweetal, met de radicale stap die zij nu publiekelijk zetten, het gezinsleven in Nederland meer positieve impulsen geeft dan minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin in drie jaar voor elkaar kreeg.
Dus nu allemaal Bos en Eurlings navolgen? Dat liever niet. Dan wordt het heel stil in politiek Den Haag. Of de populatie Kamerleden en ministers gaat eenzijdig bestaan uit singles, kinderloze echtparen en vijftigplussers.
Beter is het als politieke partijen zich eens grondig gaan bezinnen op de eisen die zij in deze moderne tijd aan hun vertegenwoordigers stellen. Want elke politicus zal toch diep in zijn hart het motto wel onderschrijven dat Kuitert ruim twintig jaar geleden tot de titel van een van zijn boeken koos: ”Alles is politiek, maar politiek is niet alles”.