Julius Richard Petri wordt op 31 mei 1852 geboren in het Duitse Barmen, in de deelstaat Noord Rijnland Westfalen. De plaats is inmiddels opgegaan in de stad Wuppertal, maar tot 1929 was Barmen een zelfstandige gemeente.
Na het behalen van de diploma’s voor de basisschool en de middelbare school begint Petri aan de studie geneeskunde. Hij volgt de opleiding tot militair arts aan de Kaiser Wilhelm Akademie in Berlijn van 1871 tot 1875. Het jaar daarop werkt Petri als arts assistent in de grote Berlijnse universiteitskliniek Charité. Aan het eind van deze periode behaalt hij de doctorstitel.
Tussen 1876 en 1882 werkt hij in de Duitse hoofdstad als militair arts, daarna blijft hij verbonden aan het leger als reservist. Tegelijkertijd –tussen 1877 en 1879– doet Petri wetenschappelijk onderzoek op het Kaiserliches Gesundheitsamt, een staatsinstelling die vergelijkbaar is met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Hij wordt hier laboratoriumassistent van de befaamde arts en wetenschapper Robert Koch. In die jaren raakt hij geïnteresseerd in de bacteriologie. Ook ontwikkelt hij het naar hem vernoemde doosje dat bacterieonderzoekers nog altijd goed van pas komt.
Gelatine
De petrischaal is een ondiep, plat, rond bakje van doorzichtig kunststof of glas. Het deksel, van hetzelfde materiaal, is gemakkelijk te verwijderen. De diameter van de schalen varieert van 2,5 tot 15 centimeter. Het meest gebruikte formaat heeft een doorsnede van 10 centimeter.
Petri’s uitvinding maakt het mogelijk om bacteriën te laten groeien op een vast oppervlak onder steriele omstandigheden. Tot die tijd worden ze gekweekt in vloeibaar medium. Koch heeft al in de gaten dat, als hij bacteriekolonies afzonderlijk in handen wil krijgen, hij deze moet laten groeien op een vaste voedingsbodem. Hij experimenteert daarvoor met plakken gelatine op glasplaten of in flessen.
Julius Petri komt echter met een betere manier om Kochs idee te realiseren. Hij giet gesmolten agar op de bodem van een schaal en legt daarop een deksel. Dit voorkomt dat micro organismen uit de lucht in de kweek terechtkomen en deze verontreinigen.
Tot op de dag van vandaag is de petrischaal het meest gebruikt voor bacteriekweek. De microscopisch kleine beestjes groeien op een voedingsbodem van enkele millimeters dik. Vaak bevat de laag ook een antibioticum om alleen het gewenste bacterietype over te houden; alle andere gaan dood.
De vlakke, doorzichtige bodem zorgt ervoor dat de bacteriën gemakkelijk onder de microscoop bekeken kunnen worden; door de gelijk blijvende afstand hoeft niet steeds te worden scherpgesteld. Daarbij zijn de platte doosjes goed stapelbaar.
De petrischalen zijn ook in trek bij biologen. Die leggen wel biologische monsters, zoals stukjes weefsel, in een laagje vloeistof in het bakje en bekijken deze vervolgens onder de microscoop. Met het deksel erop zijn ze ideaal voor de studie naar het gedrag van insecten.
Uniform
Tijdens de periode dat Petri in Kochs laboratorium werkt, ontwikkelt hij ook een techniek voor het klonen –maken van exacte kopieën– van een bepaalde bacteriestam en het opgroeien van deze ‘nakomelingen’ in een petrischaal. Ook deze methode gebruiken onderzoekers vandaag de dag nog steeds.
Nadat hij het laboratorium heeft verlaten, blijft Petri zijdelings betrokken bij de bacteriologie; tussen 1882 en 1885 als hoofd van het sanatorium voor tuberculosepatiënten in Göbersdorf, vanaf 1886 geeft hij leiding aan het Museum voor Hygiëne in Berlijn en in 1889 keert hij terug naar het Kaiserliches Gesundheitsamt en wordt directeur van het instituut. Slechts een jaar later gaat hij met pensioen. Petri overlijdt in 1921 in het plaatsje Zeitz, in de deelstaat Saksen Anhalt.
Tegen het einde van zijn leven moet Petri een verwaande, dikke man zijn geweest die elke gelegenheid te baat nam om zich in het uniform van opperlegerarts te hijsen en daarmee te pronken. Iemand merkte daarbij op dat de sjerp om Petri’s vooruitstekende buik hem deed denken aan de evenaar rond de aardbol.