Algemeen

Australië kent vogels in alle kleuren van de regenboog

Australië kent vogels in alle kleuren van de regenboog -  De kookaburra is allesbehalve moeders mooiste. Hij laat zich in de vroege ochtend en na zonsondergang nadrukkelijk horen. Foto RD

De kookaburra is allesbehalve moeders mooiste. Hij laat zich in de vroege ochtend en na zonsondergang nadrukkelijk horen. Foto RD

Een parkiet in een boom. In Nederland geeft dat grote hilariteit, want dan heeft iemand vast ergens een kooi open laten staan. Wat hier achter gaas zit, is in Australië zo gewoon als bij ons de merel en de koolmees.

Parkieten die je de huid vol schelden vanaf een dakgoot, zebravinkjes die hun nasale kreetjes vanuit een bosje uitwisselen en groepjes kaketoes die in de avondlucht schaterend naar hun slaapplaatsen vliegen. De Australische vogelwereld is voor de liefhebber een ongekende bron van genot. Net of het gaas van een complete volière is opengeknipt.

Het reusachtige eilandcontinent is vanouds een sterk geïsoleerd gebied en kent nog een zeer gevarieerde natuur: tropisch regenwoud in het noorden en oosten, woestijngebied in het centrum, alpenlandschap in het zuiden, plus een indrukwekkend lange kustlijn.

Dat alles is goed voor een ongekende variatie aan dieren- en plantensoorten. Het isolement zorgde bovendien voor een rijkdom aan unieke soorten. Zo wordt de zoogdierenwereld gedomineerd door de buideldieren, waarvan koala en kangoeroe de bekendste vertegenwoordigers zijn.

Australië kent ook een unieke avifauna, in alle kleuren van de regenboog. Van de meer dan 750 vogelsoorten die het continent telt, komen ruim 300 soorten alleen daar voor. De papegaaiachtigen -parkieten, kaketoes en papegaaien- zijn met 55 soorten bepaald niet ondervertegenwoordigd. Voor wie in Nederland bekend is met de gekooide versies van deze luidruchtige kromsnavelige klauteraars, is het fascinerend om te zien hoe ze in Australië in het wild voorkomen.

Neem nou de grasparkiet, in Australië bekend onder de koosnaam ”budgie” (een afkorting van budgerigar). Deze na de kanarie populairste kooivogel ter wereld is in Australië zo vrij als een vogeltje. De grasparkiet vliegt daar niet in zijn eentje rond maar in groepen van honderden. Daarbij ontpopt hij zich als een echte waterminnende vogel. Zodra het ergens geregend heeft, duikt hij op. Het gaat hem niet zozeer om het water zelf, maar om het gras dat vervolgens opschiet. Graszaden vormen namelijk het hoofdvoedsel van deze groene drukteschopper met een gele kop. In Australië tref je geen blauwe, witte of gele exemplaren aan; dat zijn kunstmatig gefokte varianten.

Andere papagaaiachtigen staan wel garant voor de rest van het kleurenspectrum. Neem de Crimson Rosella. In een stad als Sydney zit deze vogel op de daken alsof het een gewone spreeuw betreft. Het felrode verenpak van de grote parkiet wordt afgewisseld met paarsblauwe kaken, vleugels en staart.

De lori’s doen qua kleurenpracht niet voor de rosella’s onder. Ook hier veel rood, geel, blauw en oranje.

Dan zijn er nog de valkparkieten. Met hun kuif, gele masker en roodgestipte wangen zijn het de clowns van de Nederlandse volière; in het Australische luchtruim vallen ze nauwelijks op. Dat geldt evenzeer voor de vele kaketoesoorten die het eilandcontinent telt. Het is dat ze hun snavel niet kunnen houden, anders zou je ze niet eens opmerken. Deze krijsers verstoppen zich hoog in de bomen.

Onder Australiërs is vooral de roze Ghala populair. Dit dier is een cultuurvolger en om die reden in steden vaak zichtbaar.

Als het om kleurenpracht gaat is de Gould’s amadine (genoemd naar de Australische natuuronderzoeker John Gould) de kampioen. Deze kleine vogels (14 centimeter groot) zijn ware juweeltjes om te zien, of ze nu in zwartmasker- of roodmaskeruitvoering rondvliegen.

Minder fraai gekleurd, maar indrukwekkend vanwege hun omvang zijn de grote loopvogels van Australië: de casuaris (1,5 meter), die de tropische bossen in het noordoosten bewoont, en de emoe (2 meter), die het hele land bevolkt, inclusief de droge woestijngebieden.

Kookaburra

De kookaburra is onmiskenbaar de beroemdste vogel van Australië. Deze reuzenijsvogel heet officieel lachende kookaburra, maar de Australiërs noemen hem Jackie, lachvogel of lachende Hans. Die bijnamen dankt hij aan de lachende roep, die hij steevast iedere ochtend bij zonsopgang en ’s avonds direct na het verdwijnen van de zon laat horen. Je kunt de klok daarop gelijk zetten. Niet zonder reden duiden de Australiërs hem aan met ”wekker van de bush” of ”horloge van de kolonisten”.

Om de kookaburra (Dacelo novaeguineae) te zien, is een wandeling in de bush niet meer nodig. De vogel heeft zich zo aangepast dat hij zich ook in parken en tuinen in de stad laat zien.

Met zijn gedrongen postuur, flinke kop en nog forsere snavel oogt hij als de kwajongen van de vogelwereld. Misschien is hij dat ook wel. De kookaburra is namelijk een rover die aast op kleine reptielen (waaronder slangen), insecten, vissen, krabben en jonge vogels. Het dier is allesbehalve moeders mooiste: een vuilwitte borst, afgewisseld met bruine vleugels en een brede bruine oogstreep.

Als ambassadeur van zijn land is hij evenwel ongeëvenaard. De toerist die vanuit zijn hotelbed de kookaburra in de vroege ochtend hoort lachen, weet: „Yes, ik ben in Australië!”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels