Print artikelStuur artikel doorVoeg toe aan knipsel

Terugblik op 2009: aversie tegen christenen  

24-12-2009 16:48 | W. B. Kranendonk


Eén ding is in het jaar 2009 wel duidelijk geworden: christenen hoeven er in onze samenleving niet meer op te rekenen dat ze een streepje voor hebben. Integendeel, hun belijdenis zet hen eerder op achterstand. Prima als iemand binnenshuis of onder zijn overhemd een kruisje heeft hangen, maar o wee als de belijdenis aan de buitenkant zichtbaar wordt.

Zie voor het volledige jaaroverzicht 2009 het dossier Anno 2009

Is er sprake van een groeiende aversie tegen christenen? Het lijkt er wel op. Met het argument dat kerk en staat gescheiden moeten zijn, wordt godsdienst uit het publieke domein verbannen. Instellingen die een duidelijke identiteit dragen en dat doorvertalen naar bijvoorbeeld het benoemingsbeleid, kunnen last krijgen bij een subsidieaanvraag.

In het achterliggende jaar zijn daar verschillende voorbeelden van geweest. Inmiddels zijn de eerste gerichte beschietingen geopend op het bijzonder onderwijs. Waarom zou de overheid geld geven aan scholen die een duidelijk christelijke of reformatorische identiteit hebben?

Mogen christenen dit zomaar laten gebeuren? Moeten zij zich niet strijdbaarder opstellen? Het kan toch niet zo zijn dat in ons land met een joods-christelijk georiënteerde cultuur een groep libertijnse politici en opinieleiders in een tijdsbestek van enkele jaren de christenen degradeert tot een nauwelijks gedulde minderheid die voor haar instellingen geen enkele subsidie meer kan ontvangen? Daarom de klemmende oproep: laat je als christen horen; stel je assertiever op!

Hoewel er wel degelijk een kern van waarheid in deze oproep zit, klinkt er iets in door van hetgeen de discipel Petrus zei toen de Heere Jezus Zijn leerlingen vertelde dat hij gevangengenomen moest worden en zou lijden en sterven. „Heere, dat zal U geenszins gebeuren.” Die vastberadenheid toonde hij ook toen Jezus gevangengenomen werd. Met een ferme haal sloeg hij het oor van Malchus af. Petrus was één brok strijdbaarheid.

Heel opvallend is dat deze strijdbare Petrus in zijn eerste zendbrief aan de verstrooiden in Klein-Azië schrijft dat zij zich niet moeten verbazen over de verdrukking die hun overkomt. Sterker, ze moeten zich verblijden over het lijden. Want daaruit blijkt dat zij gemeenschap hebben aan Christus. „Indien gij gesmaad wordt om de naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u (1 Petrus 4:14).

De militante activist Petrus is in zijn latere leven een man geworden die het kruisdragen, het lijden om de naam van Christus, is gaan zien als voorrecht.

Toen de Heere Jezus op het punt stond afscheid te nemen van Zijn discipelen deelde Hij mee dat allen die Zijn naam zouden belijden in de wereld verdrukking zullen hebben. Dat zullen is niet alleen een belofte, maar ook een vaststaand feit.

De Hongaars-gereformeerde predikant Pasztor Gyula, die zelf geleden had onder de communisten, zei enkele maanden voor zijn sterven (komende zondag tien jaar geleden): „Onthoud dat de kerk hier op aarde een strijdende en lijdende kerk is. Als het kruis niet drukt, is het mis. En het kruis zal zwaarder drukken naarmate de komst van Christus nadert.”

Christenen in het Westen, in het bijzonder ook in Nederland, zijn het niet gewend dat ze smaadheden dragen om de naam en zaak van de Heere. Jarenlang hebben zij een tamelijk comfortabel leven geleid. Wie christen was, at daar geen boterham minder om. Maar juist dat leven zonder enige prikkel of nagel is risicovol.

De Russische baptist Georgi Vins noemt de perioden van rust „verraderlijke zandbanken voor het schip van de kerk.” Iedere zeevarende weet dat het risico om op een zandbank vast te lopen groter is dan bij zware storm op volle zee te vergaan.

Het lijden om de naam van Christus zagen de christenen in de oude kerk als een bijzonder voorrecht. Ze werden verwaardigd om smaadheid te dragen. Calvijn noemt het dragen van het kruis der verdrukking in zijn verklaring van de Petrusbrief „geen kleine weldaad van God.” De Heere beproeft daardoor het geloof van Zijn kinderen en bovendien „wordt daardoor de gelovige deel van Christus’ gezelschap.”

Een christen moet zich daarom niet verwonderen over de verdrukking, maar dient zich juist te verheugen. Voor christenen in het Westen, en bijzonder die in ons land, is dat wel even wennen. Waarbij direct mag worden aangetekend dat ze op dit moment bepaald nog geen klagen hebben. Elders op de wereld is de situatie van gelovigen veel benarder.

Naarmate de geschiedenis haar voltooiing nadert, zal de strijd tussen licht en duisternis toenemen. Laat niemand enige illusie hebben: de eindfase van de geschiedenis zal onbeperkt goddeloos zijn. De laatste restanten van de joods-christelijke cultuur gaan eraan. De macht van het beest dat uit de afgrond opkomt, zal huiveringwekkend zijn.

Moet men daarom alles maar over zijn kant laten gaan? Moeten christenen zich allerlei voorrechten maar laten ontfutselen? Dat niet. Allereerst niet omdat zij geroepen zijn om op te komen voor de naam van Christus.

In de tweede plaats ligt er een verplichting ten opzichte van volgende generaties. Voor hen dienen christenpolitici en opinieleiders pal te staan om de ruimte voor het christelijk belijden te bewaren. Maar wel in het besef dat alle goede voorzieningen van nu bijzondere voorrechten zijn.

Het kruis van lijden en vervolging zal zwaar zijn. Ieder die een kruis op de schouders gelegd krijgt, ervaart dat het niet te dragen is door recht overeind te blijven. De drager torst het kruis met enigszins gekromde knieën. Christenen weten dat gebed om genade nodig is, willen zij in de beestcultuur staande kunnen blijven.