MRI brengt risico op ziekte van Alzheimer in kaart
Beeldvormende technieken zoals MRI zijn een steeds belangrijker middel voor een vroege diagnose van de ziekte van Alzheimer. Periodiek onderzoek van weefselverlies in de hippocampus, het gebied in de hersenen dat cruciaal is voor het geheugen, is een goede indicator van het risico op de ziekte van Alzheimer. Daarnaast geeft het volgen van de vermindering van het totale hersenvolume door middel van MRI zicht op het verloop van de ziekte.
Dat blijkt uit onderzoek van Wouter Henneman, waarop hij op vorige week promoveerde aan het VU medisch centrum (VUmc).
Een vroege diagnose van de ziekte van Alzheimer is belangrijk om patiënten en hun omgeving vroegtijdig te kunnen voorbereiden op het verloop van de ziekte. Daarnaast is het kunnen volgen van het verloop van de ziekte essentieel om de effectiviteit van nieuwe medicijnen te kunnen meten. Het onderzoek van Henneman leidde al eerder tot publicaties in het tijdschrift Neurology.
De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie. In Nederland is op dit moment bij ruim 200.000 mensen de diagnose dementie gesteld. Daarnaast zijn er vermoedelijk ongeveer 60.000 mensen die lijden aan dementie, maar bij wie de diagnose nog niet is gesteld. Circa 12.000 dementiepatiënten zijn jonger dan zestig jaar wanneer de ziekte begint. De Gezondheidsraad schat dat tot 2040 het aantal patiënten door de vergrijzing zal verdubbelen als er geen goede therapie voor de aandoening beschikbaar komt.
Het Alzheimercentrum van het VUmc is een van de vier Alzheimercentra in Nederland. Speerpunten van het onderzoek van het centrum zijn vroegdiagnostiek, dementie op jonge leeftijd en nieuwe behandelvormen.




