Intellectueel verzet Tsjechoslowakije velt wreed regime
De spanning was om te snijden. Slaat het bewind de massale protesten bloedig neer of is het de innig verlangde doodsteek voor het communistische regime? Deze week was het twintig jaar geleden dat in Tsjechoslowakije de Fluwelen Revolutie begon.
Prof. dr. Hans Renner heeft zich de Nederlandse levenswijze goed eigen gemaakt. „Een file? Dan wacht ik nog even met het zetten van een bak koffie.” Het royale Groningse appartement van de geboren Tsjech torent fier uit boven het Hoornsemeer. Het uitzicht is uniek: aan de voeten een weidse watermassa. Even verderop staat een werkloze molen. De lucht is grijs.
Dat Hans Renner, hoogleraar Midden-Europese geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, zich ooit zou nestelen aan de rand van een Hollandse watervlakte had hij nooit verwacht. Als rasechte babyboomer kwam Hans –Hanus op z’n Tsjechisch– in 1946 ter wereld in Praag.
Onbezorgd was zijn jeugd niet. De gevolgen van de machtsovername door de communisten in 1948 gingen zijn familie niet voorbij. Vader Renner was directeur van een handelsonderneming. De nationalisatie van het bedrijf betekende per direct gedwongen ontslag. Hij kreeg een baan ver onder zijn niveau bij een glasvezelbedrijf. „De fijne glasdeeltjes verwondden zij handen.”
Prof. Renner: „We behoorden in de ogen van de communisten tot de verkeerde groep. We waren verwenste kapitalisten.” Hij kijkt zwijgend naar buiten.
Broos
Onder leiding van Alexander Dubcek brak er eind jaren zestig in Tsjechoslowakije een periode van ontspanning aan. Hij wilde een „socialisme met een menselijk gezicht” en presenteerde een actieprogramma met hervormingsvoorstellen op politiek, economisch en cultureel terrein. De veranderingen voelden weldadig aan. „Een paradijselijke tijd”, mijmert Renner. „Het voelde heel merkwaardig. Na jaren van spanning en druk was je opeens vrij mens. Praagse lente na een zware winter.”
De herwonnen vrijheid bleek broos bezit. In de nacht van 20 op 21 augustus, „oorlogen beginnen vaak in augustus”, vallen troepen van vijf ‘socialistische broederstaten’ Tsjechoslowakije binnen. Ruim 500.000 soldaten maken met Operatie Donau bloedig een einde aan de ongeoorloofde vrijheid.
Hans Renner was op dat moment in Oostenrijk. In een chic pension verdiende hij wat bij als pianist. De rest van de tijd gebruikte de student filosofie en geschiedenis om te studeren. Van een afstand maakte hij mee wat zich in Tsjechoslowakije afspeelde.
„Ik was geen held en heb afgewacht hoe de situatie zich ontwikkelde. Het ging echter de verkeerde kant op. Op een gegeven moment eisten de communisten dat ik weer terugkwam naar Praag. Zou ik dat niet doen, dan kwamen al mijn studieresultaten te vervallen.”
Een ansichtkaart uit Hilversum bracht uitkomst. „In het pension had ik eerder die zomer een nette protestantse familie uit Nederland ontmoet. Toen zij hoorden over de situatie in mijn land, lieten ze me via een kaart weten dat ik bij hen welkom was. „Als je hulp nodig hebt, kunnen we je helpen”, schreven ze.”
De student besloot op de uitnodiging in te gaan en niet terug te keren naar zijn vaderland. Het leverde hem bij verstek een veroordeling op. „Ik kreeg achttien maanden cel omdat ik de goede naam van de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije in het buitenland zou hebben bezoedeld.”
Liftend, in de ene hand een tas met boeken, in de andere hand een tas met wat kleding, vertrok hij naar Nederland. „De mensen in Hilversum ontvingen me als ware ik hun zoon. Mijn ‘adoptievader’ was architect en zeer cultuurminded. Ik leerde Nederland direct van zijn beste kant kennen.”
Zijn ouders liet hij achter in Tsjechoslowakije. „Natuurlijk vonden ze dat moeilijk. Zeker mijn moeder. Begrip was er echter wel. Rationeel hebben ze het beiden geaccepteerd. In de 22 jaar die volgden heb ik hen slechts twee keer gezien. De begrafenis van mijn vader in 1982 mocht ik niet bijwonen. Evenmin waren ze aanwezig op mijn huwelijksdag. Dat was de prijs die ik heb moeten betalen voor een grote vrijheid.”
Knevel
„Wat vind je van Andries Knevel?” Merkwaardig, zomaar, in het wilde weg, smijt prof. Renner de vraag op tafel. Er zit meer achter, zo blijkt. Knevel, en met hem de Evangelische Omroep, heeft een toegewijde vriend uit onvermoede hoek. „Waarom? De Evangelische Omroep was de enige omroep die niet koketteerde met het communisme.”
Zijn waardering voor de EO leverde de omroep een aardig stukje reportage op. Het was Knevel die als radioreporter na de Fluwelen Revolutie samen met Renner terug ging naar Praag. Een belofte uit het verleden werd waar gemaakt.
Renner: „In 1978 interviewde Andries Knevel mij. We spraken over het communisme in Oost-Europa. Op een gegeven moment vroeg hij me: „Professor Renner, denkt u ooit nog eens terug te gaan naar Tsjechoslowakije?”
Ik had de hoop opgeven. Je moet weten, eind jaren zeventig was de donkerste periode van het communisme. „Renner”, zei Knevel, „ik weet het zeker; je gaat nog een keer terug. Mag ik dan met je mee?”
De hoogleraar –„ik ben een geboren rooms-katholiek maar evolueer richting het protestantisme”– glimlacht. „Hij wist dat natuurlijk van Boven. Ik heb hem beloofd dat, als het waar zou zijn, hij met me mee mocht. En zo is het ook gegaan.”
De terugkeer naar zijn geboorteland was „indrukwekkend.” Hans Renner, vrij man in een vrij land. Het is allemaal als een roes langs hem heen gegaan, beseft hij nu. „Het was ook zo’n rare tijd.”
Vergeten doen de Tsjechen de Fluwelen Revolutie niet. Jaarlijks geldt 17 november als een nationale feestdag. Professor Renner en zijn vrouw zijn er steeds bij. „Het is een uitgestelde bevrijdingsdag. In Nederland vond de bevrijding in 1945 plaats. Voor de Tsjechen kwam er nog veertig jaar bezetting bij.”
Net als twintig jaar geleden trokken ook deze week duizenden studenten door de straten van Praag. Ze liepen dezelfde route. De leuzen op de spandoeken die ze meegedroegen waren gelijk aan toen. „Die teksten blijven actueel.”
De ‘demonstranten’ werden toegejuicht door de studenten van weleer. Een mooi, ja indrukwekkend gezicht, vindt Renner. „Ze staan nu langs de route; met kinderwagen. Je hoort het ze als het ware zeggen: „Kijk, zo liep papa twintig jaar geleden ook.”
Wekkers
Het was niet onverwacht dat de Tsjechen op 17 november 1989 zouden protesteren, weet de hoogleraar. Jaarlijks werd op die datum herdacht dat de Duitsers in 1939 alle universiteiten sloten. Veel docenten en hoogleraren werden daarbij geëxecuteerd of afgevoerd naar concentratiekampen.
Op 17 november 1989 was dat precies vijftig jaar geleden. Het bracht duizenden inwoners van Tsjechoslowakije naar het Wenceslasplein in Praag. Niet alleen om te herdenken, maar vooral om te protesteren tegen de communistische onderdrukking.
Dat de maand van demonstraties in Tsjechoslowakije uiteindelijk als de Fluwelen Revolutie de geschiedenisboeken inging, was zeker niet vanzelfsprekend, benadrukt prof. Renner. „Vergeet niet dat het communistische regime in China in de zomer van dat jaar de studentenopstand op het Tiananmenplein op zeer bloedige wijze had neergeslagen.”
Het feit dat de regering van het toenmalige Tsjechoslowakije besloot geen geweld te gebruiken tegen de demonstranten was „bemoedigend.” Na een maand van massale stakingen en onderhandelingen met de regering deed de communistische partij in december afstand van de macht. Het parlement verkoos Vaclav Havel tot nieuwe president.
De wijze van protesteren in 1989 noemt Renner typisch Tsjechisch. De uitingen van onvrede waren doorspekt met wrange humor. „Tijdens de demonstraties rammelden de mensen met sleutelbossen en lieten ze wekkers aflopen.”
„Schitterend”, noemt hij het. „Geweld past niet in de Tsjechische traditie. Verzet is daar een intellectuele bezigheid. Door symboliek stelt men een daad, wordt het regime bespot.”
Materialisme
De hoogleraar is niet onverdeeld gelukkig met de huidige ontwikkelingen in zijn geboorteland. De Tsjechen zijn zeer consumptiegericht. Het materialisme verslaat in Tsjechië –het meest seculiere land van Europa– zijn tienduizenden.
„Waarom? Ik denk dat ze met een inhaalmanoeuvre bezig zijn. Ook is de bevolking hevig teleurgesteld in de nationale en de Europese politiek. Het ontbreekt de Tsjechen aan echte grote leiders. Het land is daardoor de koers kwijtgeraakt en verkeert, evenals Nederland, in een identiteitscrisis.”
Het zit de Tsjechen verder dwars dat de West-Europeanen hen na de Fluwelen Revolutie niet hartelijk hebben ontvangen, weet de hoogleraar. „Dat hebben ze nooit goed begrepen.”
Pessimistisch wil de hoogleraar echter niet zijn. Hij heeft zijn hoop gevestigd op de generatie die nu opgroeit. „Een oudere inwoner van Tsjechië heeft het IJzeren Gordijn nog in zijn hoofd. Ze zijn getekend door het communisme. Er is een groot gebrek aan initiatief. Dat is geen onwil, zij hebben de kans nooit gehad.
Over twintig jaar torst een aanzienlijk deel van de bevolking die ballast niet meer mee. Je zult zien hoe snel de integratie van Tsjechië in Europa dan zal plaatsvinden.”
„Iedere keer als de deurbel ging, kromp mijn maag ineen”
„Mijn vader zei altijd: Om de kroon der heerlijkheid te verwerven moet je trouw zijn. Trouw aan je geloof, trouw aan de waarheid van Christus.” Ds. Milos Rejchrt trotseerde het communistische bewind in Tsjechoslowakije. „Ik wist dat ik er niet alleen voor stond.”
Ds. Rejchrt, predikant van de Evangelische Kerk der Boheemse Broeders (EKBB) te Praag, bleef trouw aan het adagium van zijn vader. Zijn optreden tijdens de communistische periode bleef niet onopgemerkt. Vorige week verscheen een Nederlandse vertaling van zijn biografie.
Het communistische regime ontnam de dissidente ds. Rejchrt (62) in 1972 het predikantschap van de stad Ceská Lípa. Voortaan werkte hij als stoker in een ketelhuis. Synodeleden deden niets om zijn schorsing ongedaan te maken. „De kerkleiding betichtte ons, protestantse dissidenten, ervan dat we ons inlieten met zaken die de leerlingen van Jezus niet toekomen, dat we in feite naar machtsposities dongen en politiek bedreven.”
Ds. Rejchrt liet zich door de „verbale afranseling” niet uit het veld slaan. „Me overgeven aan de uitzichtloosheid van de situatie, dat heb ik nooit willen doen. Ooit las ik aan de vooravond van een verhoor de Bergrede. Tijdens het lezen van de Schrift kwam er een golf van rust en vertrouwen over me, die bleef tijdens het verhoor. De intimidaties van de geheim agenten konden me niet meer van mijn stuk brengen. Ik wist dat ik er niet alleen voor stond.”
Wiet
De politiek betrokken predikant was eind jaren zeventig woordvoerder van Charta 77, een dissidentenbeweging voor de verdediging van de mensenrechten in Tsjechoslowakije. Hij heeft het woordvoerderschap niet gezocht, benadrukt hij. „Het was linke soep.”
De veiligheidsdienst wist ds. Rejchrt in deze periode regelmatig te vinden. Komisch was het geval waarin hij werd opgepakt op verdenking van het kweken van marihuana in zijn achtertuin. „Geen wiet te zien, dat gaven ze toe, ze gedroegen zich correct en brachten me met de auto terug naar mijn werk. Onderweg viel de uitlaat eraf; het socialisme begon duidelijk al ineen te storten.”
Zo gunstig liep het echter niet altijd af. De ernst van de situatie wordt pijnlijk duidelijk als Rejchrt spreekt over een afranseling van een medechartist. Hij werd zwaargehavend teruggevonden aan de rand een steengroeve. „De volgende keer stort je naar beneden”, hadden ze tegen hem gezegd.
Was u een held?
„De reacties van mijn eigen organisme praatten het me wel uit mijn hoofd dat ik een held zou kunnen zijn. Iedere keer als de telefoon of de deurbel ging, kromp mijn maag ineen. Daar hebben helden geen last van.”
U heeft veel gevangengezeten. Heeft u alles goed kunnen verwerken?
„Dat is moeilijk te zeggen. Ik heb er geen trauma aan overgehouden. Wel gebeurt het me af en toe dat ik ’s nachts een nachtmerrie heb, waarin ik weer achterna wordt gezeten door de Staatsveiligheidsdienst. Het wakker worden na zo’n droom is echter iedere keer weer geweldig: het was maar een droom, dit is allemaal voorbij, ik kan iedere dag opnieuw ontwaken in de vrijheid!”
Welke rol heeft de kerk gespeeld tijdens de Fluwelen Revolutie?
Onder de dissidenten was de EKBB sterk vertegenwoordigd. Vaak wordt hun een grote rol toegedicht in de val van het communisme. Maar zelf weet ik: wij dissidenten hebben het communisme niet omvergeworpen, wij hebben er alleen voortdurend op gewezen dat de mensenrechten niet gehandhaafd werden in Tsjechoslowakije. Het communistisch regime is ten onder gegaan aan inwendige ziektes, het had zichzelf van binnenuit uitgehold.”
Heeft de verkregen vrijheid de kerk veel goeds opgeleverd?
„In de euforie van begin jaren negentig leek het erop dat het geloof een enorme vlucht zou nemen, dat de kerken weer vol zouden stromen. Dat was niet realistisch gedacht. De EKBB is de grootste protestantse kerk in Tsjechië, maar slechts 1 procent van de Tsjechen is lid van de kerk.”
N.a.v. ”Net iets meer vrijheid – In gesprek met Milos Rejchrt” door Stepán Hájek en Michal Plzák (vert. Lisa Fikejsová-Brouwers); uitg. Skandalon, Vught, 2009; ISBN 978 90 76564 87 6; 336 blz.; € 21,50.







