„Evangelicale beweging staat op instorten”
Binnen tien jaar valt de totale ineenstorting van de evangelicale beweging in de Verenigde Staten te verwachten. Althans, dat poneert de kerkplanter Michael Spencer uit Oneida in de staat Kentucky. Dan zal een tot nu toe ongekend felle antichristelijke beweging op gang komen. Critici spreken honend over de weinig onderbouwde voorspellingen van Spencer, maar de Christian Science Monitor wijdt er een groot artikel aan. Op internet krijgt Spencer veel bijval - vooral van evangelicale Amerikanen.
Dat de evangelicale beweging over haar hoogtepunt heen is, daarover zijn de Amerikaanse commentatoren het wel eens. Daarbij wijzen ze vooral naar de verkiezingsoverwinning van Barack Obama, die een duidelijk progressiever koers vaart dan zijn voorganger en zich mag verheugen in de aanhang van progressieve christenen.
Voor de evangelicals was Bush hun president. Hij schaamde zich niet zichzelf ”born again” christen te noemen. Met hem deelden ze de zorg over het moreel verval. Zij steunden hem door dik en dun vanuit de hoop en verwachting dat hij concrete maatregelen zou nemen om de maatschappelijke verloedering tegen te gaan.
Bush ondernam ook enkele stappen. Hij benoemde in het hooggerechtshof -dat in de VS wetten toetst- twee rechters van wie bekend is dat ze tegen abortus zijn. Obama kan van hen nog hinder krijgen als hij progressieve wetgeving op dit terrein wil invoeren. Het hof bestaat uit negen rechters en die worden voor het leven benoemd. Bush verbood ook de financiering van embryonaal stamcelonderzoek, een maatregel die Obama deze week ongedaan maakte.
Maar Bush stelde uiteindelijk teleur. Een deel van de evangelicals had meer van hem verwacht. Een ander deel, vooral de jongere hoger opgeleiden, keerde zich van hem af omdat ze een progressiever koers wilden. Christen-zijn betekent voor hen bijvoorbeeld ook streven naar milieuzorg, een terrein waar de regering-Bush in het bijzonder en zijn Republikeinse Partij in het algemeen minder aandacht voor heeft dan de Democraten, van wie Obama het boegbeeld is.
Het gevolg was dat bij de laatste verkiezingen een deel van de evangelicals op de meer progressief georiënteerde Democratische Partij stemde. Kortom, de eenheid binnen de evangelicale beweging is weg. Op grond daarvan menen analisten dat ze over haar hoogtepunt heen is.
Strategische fout
Michael Spencer ziet in het bondgenootschap dat de Amerikaanse evangelicals sloten met het neoconservatisme van de regering-Bush, een belangrijke oorzaak voor de komende ineenstorting van de beweging. „Dat is een van de grootste fouten in de geschiedenis van de evangelicals.”
Door dat samengaan zal volgens hem de komende jaren het begrip ”evangelical” steeds meer synoniem worden aan ”anticultureel”. Evangelische christenen zullen in de toekomst ervaren worden als een blok aan het been voor sociaalculturele vooruitgang. Dat verzet zal over enkele jaren worden geïnterpreteerd als bedreiging voor de toekomst van de VS. „Nog even en dan worden evangelicals gezien als slecht voor Amerika, slecht voor het onderwijs, slecht voor kinderen en slecht voor de maatschappij.”
Het feit dat evangelicals zo veel hebben geïnvesteerd in de strijd tegen maatschappelijke verloedering, ziet Spencer als een strategische fout. „We zullen ontdekken dat alleen maar het ”tegen het homohuwelijk zijn” en het pro-lifestandpunt niet opwegen tegen een zeer beperkte kennis van het Evangelie.”
Weliswaar hebben evangelicalen veel geïnvesteerd in het jongerenwerk. Er is een omvangrijke christelijke jongerencultuur ontwikkeld met muziek, films en boeken. „Maar evangelicalen hebben gefaald in het overdragen van de kern van het orthodox-christelijke geloof.” Spencer stelt, scherp: „Jonge christenen weten niet meer van hun geloof dan alleen dat het een prettig gevoel geeft. Onze jonge mensen beseffen dat er een culturele strijd gevoerd moet worden, maar ze weten niet waarom ze de Schrift moeten gehoorzamen. Ze kennen de hoofdinhoud van de christelijke leer niet en hebben ook niet de ervaring van geestelijke tucht of gemeenschap. Komende generaties jongeren hebben een groot gebrek aan kennis en zijn daardoor niet voorbereid om goede weerstand te bieden aan de grote druk waaronder ze zullen komen te staan.”
Uittocht
Stevige kritiek heeft Spencer ook op het onderwijs op evangelicale instellingen. Het ontbreekt die instituten aan een eigen pedagogisch-didactisch concept. Scholen zijn te veel gericht op de interne problematiek van de evangelicale beweging en niet op de geestelijke voorbereiding van jongeren die straks in een niet-christelijke cultuur hun werk moeten doen. „Veel studenten laten hun geloof los, als ze een plaats in de maatschappij hebben ingenomen.”
Die kritiek heeft Edith Blumhofer, directeur van het Institute for the study of American Evangelicals in Wheaton, recent ook geuit. „Christelijke instituten leiden jonge mensen op om straks vanuit hun christelijke levensovertuiging de samenleving te dienen. Maar wat zien we? Binnen vijf jaar zijn die mensen onze grootste tegenstanders.”
Ook het welzijnswerk van christenen zal volgens Spencer een neergang doormaken. „Christenen doen heel veel goeds. Daarmee willen ze laten zien wat hun geloof voor hen betekent. Maar zodra er straks maatschappelijke en culturele druk op het christendom komt te staan, zullen ze hun christelijke motivatie van zich werpen. Als christen-zijn geen pre meer is, maar eerder een nadeel, is er van het christelijke welzijnswerk weinig meer over.”
Spencer maakt zich geen illusies dat de neergang zich zal beperken tot de verstedelijkte gebieden van Amerika, waar de secularisatie vanouds meer greep op de bevolking heeft dan in de plattelandsgebieden. „Juist in de biblebelt zal de ontkerkelijking toeslaan. Daar wordt het evangelicalisme gezien als historisch erfgoed; het is daar geen levende overtuiging. Kinderen geloven daar omdat het zo hoort. Ze hebben niet geleerd wat het werkelijk betekent om Jezus te dienen. In het algemeen wordt traditioneel geloof snel omver geblazen als de eerste rukwinden van de secularisatiestorm worden gevoeld.”
Een laatste factor die Spencer noemt, is het opdrogen van de geldstromen. Het wegvallen van de oudere generatie, die gewend is vooral veel aan de kerk en aan goede doelen te geven, wordt niet gecompenseerd door de jongeren. Die zijn meer gericht op hun eigen welbevinden. „Kerken kunnen nog wel giften krijgen als ze tenminste de gevers een gelukkig gevoel bezorgen. Meer abstracte doelen, zoals onderwijs, media en doelen ver weg -zoals zending en ontwikkelingswerk-, zullen een forse terugval meemaken.”
Atheïsme
Spencer is er vast van overtuigd dat de rol van de evangelicale beweging in Amerika zal worden overgenomen door een sterke atheïstische stroming. Hij ziet nu al voortekenen. „Neem de atheïstische reclamecampagnes, de sterke anticreationistische beweging die op gang is gekomen, de afstand die Obama neemt van de kerk -’s zondags gaat hij sporten in plaats van een kerkdienst bij te wonen- en de discussie over de vrijheid van godsdienst die is gestart, het zijn allemaal signalen dat we een ander tijdsgewricht naderen.”
Of Spencer gelijk krijgt, weet niemand. Feit is wel dat ook de vooraanstaande christelijke opinieleider Albert Mohler recent zijn zorg heeft uitgesproken over de houdbaarheid van de evangelicale beweging, evenals Chuck Colson, de man achter het internettijdschrift Breakpoint. Er is dus wel iets aan de hand.
Vragen
Natuurlijk kan gesteld worden dat een aantal onderdelen van Spencers analyse slaat op de specifieke Amerikaanse situatie waar de evangelicale beweging meer dan in Nederland een maatschappelijke stroming is met een eigen impact. De laatste vijftien jaar hebben politieke analisten zich keer op keer afgevraagd wat de evangelicals gingen doen bij de verkiezingen. Hun stem kon immers de doorslag geven.
Toch stelt Spencer met zijn overwegingen ook vragen aan de Bijbelgetrouwe christenen in Nederland.
Het is een Bijbelse opdracht dat christenen in de samenleving hun stem laten horen. Dat gebeurt ook in ons land. Er zijn inderdaad veel ontwikkelingen die een tegenstem nodig hebben. Maar het is de vraag of door al die actie de eerste en belangrijkste vragen -die van het eigen hart- niet in de schaduw komen te staan. Groei in kennis van God en Zijn genade moet eigenlijk altijd voorafgaan aan actief verzet tegen de tijdgeest.
In hoeverre zijn allerlei kerkelijke jongerenactiviteiten te veel gericht op het stimuleren van gemeenschapszin; hoe belangrijk ook? Is daarbij ook voldoende aandacht voor het overdragen van de Bijbelse leer? Daar zal de jongere generatie toch in gefundeerd moeten zijn wil ze straks staande kunnen blijven in de storm van secularisatie?
Hoe komt het dat ook in ons land een belangrijk deel van de jongeren die op christelijke scholen hebben gezeten, uiteindelijk toch meegezogen wordt door de moderne tijdgeest en het geloof van de vaderen vaarwel zegt?
Ook in Nederland zijn er dorpen en streken waar -gelukkig- het behoren tot een kerk nog redelijk gewoon is. Maar is de jeugd die daar opgroeit met de op zichzelf goede traditie ’s zondags naar de kerk te gaan, straks wel voldoende weerbaar? Niet alleen de aanzwellende stroom van het atheïsme bedreigt hen, ze staan in toenemende mate ook onder invloed van moderne ideeën door de moderne communicatiemiddelen en de grotere mobiliteit. Hebben de jongeren meer bagage dan alleen het argument: ”dat zijn we zo gewoon”? Zien zij in hun omgeving wat de waardevolle betekenis is van het leven met de Heere?
Ten slotte: in hoeverre zijn toekomstige volwassenen bereid om diep in de buidel te tasten voor de kerk, goede doelen en eigen instellingen? Gelet op allerlei ontwikkelingen en uitspraken van politici is denkbaar dat in de toekomst bijvoorbeeld de subsidie van het christelijk onderwijs ter discussie komt te staan. Willen toekomstige generaties dan zware lasten op hun schouders nemen?
Niet somber
De antwoorden op deze vragen zullen wellicht niet vrolijk stemmen. Dat kan somber maken. En daar is ook reden toe als de zorg voor de toekomst van de kerk wordt bekeken vanuit het oogpunt wat mensen ervan maken. Maar de toekomst van de Kerk ligt uiteindelijk niet in hun hand, zoals artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: „Deze Kerk is geweest van het begin der wereld af en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt dat Christus een eeuwig Koning is, Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijd lang zeer klein en tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen.” Deze belijdenis is echter allerminst een vrijbrief tot zorgeloos achteroverleunen.




