Schilderen is als ademen
Scheermesjes, tandenborstels, flessendoppen. Ze stonden allemaal ten dienste van de Birmese kunstenaar Htein Lin, toen die in een Birmese gevangenis terechtkwam. Medegevangenen keken in hun blootje toe hoe Lin hun bajeskleding als schildersdoek gebruikte. De naar buiten gesmokkelde kunstwerken zijn nu te bezichtigen op een Londense expositie.
”Burma Inside Out” heet de expositie die de Birmese kunstenaar Htein Lin (41) in het Asia House in Londen heeft uitgestald. Lin zat van 1998 tot eind 2004 in een Birmese gevangenis en over die periode gaan de ongeveer zestig kunstwerken. De thema’s geven iets weer van de verschrikkelijke omstandigheden in Birma’s strafkampen en gevangeniscomplexen. Ze keren als het ware datgene wat in het diepste geheim achter hoge muren aan onmenselijks plaatsheeft binnenstebuiten, inside out.
Maar de titel doelt op nóg iets anders. Alle schilderwerken maakte Lin tijdens zijn detentie, en ze werden ook in die periode van binnen naar buiten gesmokkeld. Overigens niet altijd met succes: van de 1000 schilderstukken die Lin als gevangene maakte, zijn er slechts 230 bewaard gebleven. Wanneer ze niet tentoon zijn gesteld, zijn Lins doeken opgeslagen in het gebouw van het Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISH) in Amsterdam. Dit instituut doet mee aan het Birma Archief Project, een internationaal initiatief dat Birmese kunst van na 1980 verzamelt en bewaart, en zo buiten de greep houdt van de militaire junta.
De stukken die in Londen te zien zijn, hebben een hoog surrealistisch gehalte, ze tonen bizar ogende lijven, gezichten en situaties, dus niet iedere bezoeker zal als buitenstaander weten door te dringen tot de binnenste krochten van de Birmese goelag. Ze zijn ook niet gemaakt voor dat doel, legt Lin uit tijdens een gesprek in de kantine naast de expositieruimte. „Voor mij was het schilderen een eerste levensbehoefte, een manier om niet krankzinnig te worden in die kleine donkere cellen waarin we zaten.” Lin vergelijkt zijn schilderen met het ademen van een duiker onder water: diens zuurstofflessen zijn even onmisbaar als Lins schilderwerk toen. Veel stukken op de expositie illustreren dat. De achtergrond van een doek mag nog zo grijs of zwart zijn, en de figuren nog zo gekromd, afgebeelde harten zijn steevast met bloemen gevuld, en in de lijven zenden lampjes onverminderd licht uit.
Lin werd opgepakt en opgesloten in 1998 om een voor Birma typische reden. Zijn naam werd genoemd in een brief van een vroegere studievriend. Hij zou „interesse hebben” in prodemocratische acties. Lin wist van niets, maar toen de Birmese geheime dienst de brief in handen kreeg, wist die voldoende. Op 31 mei 1998 werd hij ’s nachts van zijn bed gelicht en meegenomen. Zijn vrouw en dochtertje bleven achter. Zesenhalf jaar later, in november 2004, kwam hij vrij dankzij een amnestieregeling. Toen waren de meeste van zijn schilderwerken hem al voorgegaan. Via omgekochte en bevriende bewakers wist Lin zijn doeken al eerder buiten de gevangenismuren te krijgen. Maar hoe kwam Lin aan schilderspullen? Ook via enkele van die bewakers. Lukte het een keer niet hen om te kopen, dan verving Lin acryl-, olieverf, of zelfs gewone huisschildersverf door kleurstof die in de kokosmattenfabriek werd gebruikt, waar hij en de andere gevangenen dagelijks moesten werken.
Geen kwasten
Schilderen deed Lin zonder gebruik te maken van kwasten. „Die waren lastig te verstoppen op het moment dat bewakingspersoneel plots opdook voor mijn cel”, verklaart Lin. Daarom ontwikkelde hij een stempelmethode waarbij hij de meest basale gebruiksvoorwerpen als gereedschap inzette: lege tubes tandpasta, doppen van medicijnflesjes, scheermesjes, tandenstokers en uiteraard tandenborstels. Belangrijke schildersgereedschappen waren ook de injectiespuiten die een gevangenisarts hem toespeelde. En dan waren er nog de stukken zeep die gevangenen kregen uitgedeeld. Lin wist er de meest fraaie stempels van te maken. Op de expositie zijn er enkele te zien: tot smalle cellen uitgeholde blokjes, met daarin de gebogen figuur van een gevangene.
Lin typeert het in handen krijgen van schildersmateriaal als een eindeloos spel met de bewakers, met steeds als centrale vraag: wie van hen is betrouwbaar genoeg om mee aan te pappen? Schildersdoek was natuurlijk ook niet voorhanden. In eerste instantie schilderde hij daarom op opengesneden plastictassen, waarin bezoekers het eten vervoerden dat ze voor hem hadden meegebracht. Algauw ging hij over op afgedankte kleding van hemzelf en van medegevangenen - voornamelijk bestaand uit witte gevangeniskledij, zeg maar een bajesvariant op de traditionele Birmese kledij, de longyi. „Vooral criminele medegevangenen waren bereid enkele van hun longyi’s te ruilen voor sigaretten of geld. Die waren dan meestal erg smerig en ik moest ze vaak drie keer wassen voordat ze schoon genoeg waren om als schildersdoek te dienen.”
Op opvallend veel doeken zijn gebogen, hurkende figuren te zien. Vanwege de krappe cellen, maar vooral vanwege het tweemaal daagse ”Pon San Tain”, het bevel dat ’s ochtends en ’s avonds de gevangenen werd toegeschreeuwd: ”In de houding!” En die bestond dan uit een vernederende ineengedoken knielhouding.
Wat gevangenschap voor de achtergebleven familie betekende is weergegeven in het doek ”Waiting for Father”. Erop staat een moeder achter een naaimachine, haar kind zit voor haar. Lin heeft ze klein getekend met veel wit eromheen om de eenzaamheid en verlorenheid weer te geven van een Birmees gezin zonder vader. „Het doek is gemaakt uit een dun shirtje”, vermeldt hij erbij, „lastig om op te verven.”
”Watch and Shoe” (klok en schoen) laat een wereldbol zien met daarin een laars. Uit die laars komen zo’n zestien klokken. Tralies fungeren als de meridianen op de wereldbol. „De laars houdt ons op onze plek en laat ons eindeloos wachten.”
En dan is er het grote doek dat ”Zes vingers” heet. Lin legt uit dat er op zijn afdeling veel gevangenen bijnamen hadden als ”Mister Seven” of ”Negenvingerig”. Het waren mannen die zichzelf hadden verminkt of die dat hadden laten doen, om maar niet naar een strafkamp te hoeven gaan. Daar wachtte hen immers honger, malaria, tal van ongelukken en… loodzwaar werk. Wie geld had kon een arts wel zo ver krijgen om je van de lijst voor dwangarbeid te laten verwijderen - dat kostte je tussen de 50 en 100 dollar. Was je arm, dan zat er niets anders op dan een medegevange te vragen om met een spade of hakmes een of meer vingers eraf te hakken.
Als Lin zelf zou moeten kiezen welk schilderwerk hij het meest aangrijpend vindt, dan zou dat ”Dodencel” zijn. Op het doek zijn de verwrongen gezichten te zien van gevangenen, vol van stress en zonder enige hoop. Lin heeft ze van nabij meegemaakt, omdat hijzelf zeven maanden zat opgesloten in een dodencel, overigens zonder ter dood te zijn veroordeeld.
Het was zijn meest productieve periode, vertelt hij. „Bewakers kwamen maar spaarzaam langs, dus ik kon rustig mijn gang gaan. Verder waren medegevangenen erg gewillig in het afstaan van kledingstukken. Maar wellicht de belangrijkste oorzaak van zijn productiviteit was het levensbedreigende karakter van de dodencel. Net zoals een duiker heftiger begint te ademen naarmate hij dieper afdaalt, zo begon Lin intensiever te leven door te schilderen in zijn dodencel.
Aan die periode en aan de manier van overleven, heeft Htein Lin één stellige overtuiging overgehouden: het is volstrekt zinloos om een kunstenaar op te sluiten.
De expositie is nog tot en met zaterdag 13 oktober te zien in het Asia House, 63 New Cavendish Street, op enkele minuten lopen van het metrostation Regents Park.








