Schoenen uit
Kennis bijbrengen en de leerlingen voorbereiden op hun plaats in de maatschappij. Dat is de taak van het onderwijs. En naarmate het einde van de schoolloopbaan nadert, is het zaak de jongeren steeds nadrukkelijker te confronteren met hetgeen in de samenleving te koop is.
Kenmerkend voor de moderne maatschappij is haar multiculturele karakter. Dat stelt andere eisen aan de vorming van jongeren dan vijftig jaar geleden. Weliswaar was toen sprake van ontkerkelijking, maar de samenleving was wel gestempeld door de joods-christelijke traditie.
Orthodox-christelijke scholen hebben de laatste tien jaar zich bezonnen op de vraag hoe zij hun leerlingen op een verantwoorde wijze kunnen laten kennismaken met de veelvormigheid van onze maatschappij. Er is een programma van begeleide confrontatie ontwikkeld, waarin veel elementen zijn opgenomen die terug te vinden zijn in het later door de minister verplicht gestelde vak burgerschapskunde.
Dat getuigt van visie. Het is uiterst nuttig dat leerlingen onder begeleiding van docenten in aanraking komen met allerlei meningen en de discussie aangaan met andersdenkenden. Wanneer dat niet op school gebeurt, worden leerlingen na hun examen zonder adequate vaardigheden in het diepe gegooid, met het grote gevaar te verdrinken.
De vraag is wel hoever men daarbij kan gaan. Inmiddels is binnen het protestants en reformatorisch onderwijs de discussie opgelaaid of het verantwoord is met leerlingen naar de moskee te gaan. Het punt waar het om draait, is dat bij het binnentreden van het islamitisch gebedshuis de schoenen uitgedaan moeten worden.
Niemand betwist dat kennismaking met de islam in onze tijd nuttig en vooral ook nodig is. Er is geen godsdienst in ons land die zo snel groeit als het geloof in Allah. Het aantal moskeeën is de laatste jaren fors toegenomen. Statistici voorspellen dat binnen twintig jaar de islam de eerste godsdienst in Nederland is.
Dat is een verontrustende ontwikkeling. Daarom is het noodzaak dat christelijke scholen jongeren weerbaar maken zodat zij de gevaren van deze godsdienst zien (en die zijn meer dan alleen het moslimextremisme) en in staat zijn het debat met moslims aan te gaan.
Op grond van de Bijbel kan niet anders dan gesteld worden dat Allah een afgod, een bespotting van de enige ware God is. Hij bestaat niet. En het eren van hem is het eren van niets. Ondanks alle pleidooien voor de dialoog tussen christendom en islam is de scheidslijn tussen beide vlijmscherp en de kloof geweldig groot.
Vanuit de overtuiging dat Allah niet bestaat, hebben sommige christenen er geen moeite mee hun schoenen bij de deur van de moskee uit te doen. Zij beschouwen dat niet als eerbetoon aan een god, maar als teken van respect voor de andersdenkende. Anderen maken juist wel bezwaar. De voeten ontbloten, is buigen voor de boze, de afgod.
Paulus heeft in de eerste brief aan de gemeente van Korinthe niet uitdrukkelijk verboden de afgodentempel te bezoeken. Maar hij wijst mensen die dat wel voor hun geweten kunnen verantwoorden op hun plicht ten opzichte van medebroeders die daar moeite mee hebben (1 Kor. 8:10, 11). Om hen zouden zij dit moeten laten.
Alleen al op grond van die gedachte doen scholen er goed aan niet met leerlingen de drempel van de moskee over te gaan.
Daar komt bij dat het nog maar de vraag is of men met het uitdoen van de schoenen inderdaad niet meer is dan het tonen van respect aan andersdenkenden. Moslims zelf vatten dat op als erkenning van het bestaan van Allah door christenen. Zover zal niemand willen gaan die weet van de ene Naam tot zaligheid.




