Wat ze nou zochten was mij onduidelijk. „Zag je een beestje?” probeerde ik. Ik wist dat het een domme vraag was. Want beestjes zijn er genoeg in Suriname, maar een roodkleurig beest dat in de stad rondbanjert, kon ik mij niet voor de geest halen. Maar ja, die knaapjes zijn evenals ik geen bioloog, dus dat mijn vraag op zijn minst dom was, hadden zij niet door. Hun antwoord was ontkennend.
„Is het iets om te eten?” probeerde ik toen, wetende dat Surinamers altijd direct in actie komen als er iets te eten te halen valt. Misschien was er iets smakelijks van onze bomen gevallen. „Nee”, lachte de oudste om zo veel onbenul. Speelgoed was het ook niet, zo bleek uit het vervolg van de communicatie. Ze bleven plakken, zonder duidelijk te kunnen maken waar ze nu naar op jacht waren.
Plots dook een vrouw op, vermoedelijk de moeder. Ze zei niets maar wees nadat ik vroeg of ik haar kon helpen op de twee kinderen. Die hoorden dus bij haar. „Wat zoeken jullie?” vroeg ook zij, op de gebruikelijke argwanende en bijna boze Surinaamse toon. „Zo’n rood iets ding, ik weet niet wat het is”, zei de jongste. De moeder was het zat en trok het knaapje aan zijn korte kroesharen mee, want thuis pruttelde het eten op het vuur.
Al met al een ontmoeting met een knap onbevredigende ontknoping. Het blijft toch even door je gedachten spoken wat het jeugdige duo met dat ”rood iets” bedoelde. Ik zal het waarschijnlijk nooit te weten komen. Maar het riep bij mij ook weer eens de vraag op hoe Nederlands het Nederlands nog is dat in Suriname wordt gesproken. Vast staat dat het door de jaren heen steeds meer wordt aangetast door invloeden, die nog het best terug te voeren zijn naar de rijke etnische samenstelling en bonte geschiedenis van het land. Van zuiverheid is allang geen sprake meer. In de loop der eeuwen heeft zich een Nederlandse taal met een vreemd tintje ontwikkeld, het Surinaams-Nederlands.
Vooral met de formulering van zinnen in de juiste volgorde hebben Surinamers doorgaans grote problemen. In alle klassen, van rijk tot arm, van jong tot oud, van afgestudeerd tot ongeschoold, van Hindoestanen tot Creolen en van Javanen tot Indianen, struikelt men over de zinsconstructies en voegt men nieuwe woorden toe aan de officiële taal.
Het meest waarschijnlijk is dat in de toekomst het Surinaams-Nederlands terrein gaat winnen ten aanzien van het Nederlands. Dat gebeurt nu al heel geleidelijk aan. Het is een taal van niemand, een verbasterd Nederlands met wat ingrediënten van alle bevolkingsgroepen. Maar zelfs dat Surinaams-Nederlands zal nooit een zuiver karakter krijgen omdat iedere etnische groep de eigen traditionele taal blijft spreken. Zo kan bijvoorbeeld in één kort gesprek tussen Javanen het (Surinaams-)Nederlands, Sranantongo (Surinaams) en Javaans gesproken worden. Maar ook dat Javaans wijkt weer af van wat oorspronkelijk op Java wordt gesproken omdat het in de loop der decennia is beïnvloed en zich ontwikkelt tot een Surinaams-Javaans.
Het maakt Suriname tot een opmerkelijke talenbrij, waarin het Nederlands vooralsnog de bindende factor blijft. Maar zelfs die bindende factor kan ervoor zorgen dat er onduidelijkheden blijven bestaan. Zodat ik nooit te weten zal komen wat nu dat ”rood iets” is geweest aan de buitenzijde van de muur van onze tuin.