Margreet Oudenes uit Alphen aan den Rijn: „Op zaterdagmiddag 15 december 1990 daalde ik de trap af naar de kelder met kerstkaarten en kalenders van het bekende Vulpenhuis in de Passage in Den Haag. Die kelder stond vol met rekken kerstkaarten en prachtige kalenders, en het was heerlijk om daarin te snuffelen. Terwijl ik de trap afliep, keek ik recht in het gezicht van koningin Juliana. Ik realiseerde me dat de koningin zo graag als een gewone mevrouw gezien wilde worden, en ik besloot stoïcijns te doen alsof ik niet ‘mijn vorstin’ zag. Opeens stond ik vlak naast haar kalenders te bekijken. Zij zei tegen mij: „Wat heb je toch een prachtige kalenders tegenwoordig.” Waarop ik zei: „Nou, en zulke prachtige platen, je hebt echt het gevoel dat je in het buitenland bent als je daarnaar kijkt.” „Ja”, zei ze, „ik wil voor al mijn kinderen en hun mannen kalenders hebben met Kerst.” „Ja, dat is leuk, dat is een mooi cadeau”, zei ik. En we keken afzonderlijk, maar gezusterlijk vlak naast elkaar, naar de kalenders. Het was zo gewoon dat ik het zelf ook gewoon vond. Het was precies hetzelfde als ik ook altijd met mijn moeder deed.”
Grietje Seegers uit Staphorst: „Ik heb koningin Juliana ontmoet tijdens de boomplantdag in 1979. Volgens mij was het zo dat er uit elke provincie een jongen en een meisje naar Baarn mochten, om daar samen met koningin Juliana een boom te planten. Ik zat op de Prins Willem Alexanderschool in Staphorst en was het gelukkige meisje. Samen met een jongen van een Rouveense basisschool ben ik toen naar Baarn geweest.”
J. H. Wolterink uit Rijssen: „Op 9 oktober 1975 heeft koningin Juliana een werkbezoek gebracht aan de gemeente Rijssen. Als lid van de gemeenteraad (fractievoorzitter SGP) was ik met mijn vrouw hierbij aanwezig. Alle raadsleden werden aan de koningin voorgesteld. Ook de oudste inwoner van Rijssen, de honderdjarige heer Ter Harmsel, werd aan Hare Majesteit voorgesteld door burgemeester Smit. Dhr. Ter Harmsel sprak de koningin vanuit Gods Woord ernstig, maar liefelijk toe. Dit maakte een diepe indruk op ons.”
G. van de Stelt-van Ooyen uit Leerdam: „Op 27 juli 1951 werd mijn geboorteplaats, Schoonrewoerd, vereerd met een bezoek van Hare Majesteit koningin Juliana. Er werd mij gevraagd om de koningin een kopje thee aan te bieden. Het was een bijzondere ervaring, omdat ik op die dag mijn 21e verjaardag vierde.”
Fam. Wisgerhof uit Ochten: „Op 20 september 1974 bracht Hare Majesteit koningin Juliana een werkbezoek op de tabaksboerderij in Elst (Utr.). Wij (ouders plus kinderen) stonden waar we moesten staan, want alles was van tevoren besproken. Ook waar de koningin moest lopen. Kleindochter Marleen mocht de bloemen geven. De spontane hand aan Marleen nam de spanning weg. Zo liepen we naar de deel waar de tabakspresentatie was. Op weg daarheen vroeg ze of er rouw in de familie was omdat onze moeder rouwkleding droeg. Ja, er was een dochter overleden. Het warme meeleven dat er volgde, was bijzonder. Zo hebben we haar leren kennen als een meelevende, vriendelijke, spontane en belangstellende vrouw met een groot moederhart.”
L. C. Segers uit Lisse: „Veertien februari 1961 was een zomerse dag, waarop koningin Juliana een werkbezoek bracht aan enkele gemeenten in de bollenstreek. In Lisse werd het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek bezocht. Mijn vader werd daar als bestuurslid aan Hare Majesteit voorgesteld. En de directeur had mij opgedragen haar te helpen bij het ontdoen van haar mantel. Het kostte mij enige moeite om haar niet met ”moeder” aan te spreken, omdat zij iets moederlijks uitstraalde. Vanuit Lisse vertrok het gezelschap naar Hillegom. Daar had zij een ongedwongen gesprek met enkele personen, waaronder mijn broer. Toen is letterlijk uitgekomen wat onze overgrootmoeder ervoer, toen zij in grote armoede leefde, uit Psalm 113:4 (berijmd): „Wie is aan onze God gelijk, Die armen opricht uit het slijk (...) naast prinsen plaatst en wereldgroten.””
W. J. Verton-Kooyman uit Zierikzee: „In de zomer van 1951 mocht ik als tienjarig meisje bloemen aanbieden aan koningin Juliana. Ze bezocht toen het dorp Nieuwerkerk in Zeeland. „Majesteit, mag ik u deze bloemen aanbieden.” En dan achteruitlopend weer naar de genodigden. We wisten toen niet dat Hare Majesteit dit bezoek aan ons dorp binnen twee jaar zou herhalen in verband met de februariramp van 1953. Toen liep ze met de commissaris van de Koningin in Zeeland, jonkheer De Casembroot, en de burgemeester door het dorp. Ze droeg kaplaarzen en had een intens verdrietige blik! Dit gaf troost; we hadden allen verliezen geleden...”
M. H. van Olst uit Apeldoorn: „Vanaf juni 1956 tot september 1959 heb ik gewerkt als bode op het secretariaat van H. M. de koningin en Z. K. H. Prins Bernhard op Paleis Soestdijk. Uiteraard heb ik diverse ontmoetingen gehad met koningin Juliana. Ik wil er een paar uitlichten. Als eerste: mijn kantoortje bevond zich naast de kamer van de secretaresse van de koningin. De koningin kwam regelmatig voor overleg bij haar secretaresse en kwam dan langs mijn werkplek. Meestal stapte ze dan even bij mij binnen en vroeg: „Henk, mag ik een kopje koffie van je?” Ze vond de door mij gezette koffie lekker, vertelde ze me eens. Uiteraard was mijn antwoord: „Zeker, Majesteit”, en dan bracht ik haar een kopje koffie.” Bij mijn vertrek naar Canada in 1969 werd ik via een lakei verzocht afscheid van de koningin te nemen, omdat ik ontslag had aangevraagd. Het werd een gesprek dat ik nooit ben vergeten. Ze vroeg over het hoe en waarom van mijn emigratie. Ze was zeer geïnteresseerd in deze dingen. Ook de bijeenkomsten rond Kerst zijn mij bijgebleven, als het kerstevangelie door de koningin werd voorgelezen en er chocolade werd geschonken.”
M. Weststrate uit ’s-Gravenpolder: „Het was de maand mei 1954 –een zomerse dag– toen de koningin uit de helikopter stapte en in een auto verder door de Braakmanpolder reed. Ze maakte kennis met acht boeren en hun vrouwen die daar woonden. Twee meisjes gaven haar bloemen. En wij met z’n allen gingen met haar kennismaken en koffiedrinken. Het duurde best wel lang. Een hele belevenis. Toen ging ze het Juliana Ziekenhuis in Terneuzen openen.”
D. Dijkstra uit Rotterdam: „Een herinnering aan koningin Juliana heeft mij destijds bijzonder getroffen. Een predikant schreef in een dagboekje ”Een handvol koren” dat „prinses Juliana in haar uitlatingen kennis gaf van het feit dat ze door genade haar hart aan de Heere had mogen geven.” Later is daarover nooit meer iets gepubliceerd. We hopen en bidden dat ’t ook in haar verdere leven als onze vorstin merkbaar is geweest en dat ze in vrede mocht ontslapen.”
Mevr. Schouten-van de Brug uit Nunspeet: „Ik heb gewerkt op Sonnevank, dat was een tehuis voor tuberculosepatiënten in Harderwijk in de jaren 1950-1956. Ik was 21 jaar. Eerst waren er 450 patiënten, later minder. Ik denk dat koningin Juliana er rond 1952, 1954 er is geweest. Toen mochten veel patiënten naar buiten op bedden en stoelen. Ik stond nog geen halve meter van haar af. Dat was voor mij een hele belevenis.”
H. J. Zweemer uit Kruiningen: „Enkele jaren na de watersnood van 1953 bracht de koningin ook aan Kruiningen een bezoek om de resultaten van de herstelwerkzaamheden te bekijken. We stonden aan het begin van het dorp te wachten. Ze waren verlaat en reden daarom wat harder. Voor ons veel te hard. De man naast me zei: „In die auto met het vaantje zat ze natuurlijk.” Dat was dus gezien en niet gezien.
Ruim twintig jaar later wachtten onze kinderen op de koningin bij restaurant ”Inter Scaldes”. Daar zou ze de lunch gebruiken. Het was regenachtig, guur weer. Toen ze uitstapte zei ze tegen de wachtende jeugd: „Het is vies weertje, hè.” Het viel niet mee voor de jonge Oranjefans. Ze kwamen te laat op school. Ze kregen als beloning een reprimande.”
O. van de Wel-Wynia uit Soesterberg: „Ik was verpleegster in Friesland. Daarna in het Militair Hospitaal in Utrecht. We hebben met onze groep gedefileerd voor onze koningin op het Malieveld in Den Haag. Dat was voor ons leuk en gezellig voor onze koningin Juliana.”