De ondertitel is veelbelovend: Gids voor medisch toerisme. Met dit boek weet een patiënt die overweegt zich in het buitenland te laten behandelen, wat de valkuilen zijn, hoe hij de vergoeding met zijn zorgverzekeraar regelt enzovoorts. Een verwachting die wat te hooggespannen blijkt.
In de Nederlandse gezondheidszorg heeft de auteur van ”Flying Patients”, Johan Dijkstra, weinig vertrouwen meer. In zijn beleving is het zorgstelsel als „een overjarig pand” dat zorgvuldig geconserveerd wordt. „Omdat het een Rijksmonument is, mag er vrijwel niets aan gebeuren. (...) En dat terwijl het een verouderd, door en door verrot gebouw is; (...) ook de vermolmde fundering zou moeten worden vernieuwd. Op grond van de wettelijke eisen moeten gezondheidszorgactiviteiten zich echter binnen dit pand blijven afspelen.”
Toen hij in Amerika woonde –waar 46 miljoen inwoners geen ziektekostenverzekering hebben– ontdekte hij dat veel onverzekerden op het moment dat ze medische zorg nodig hadden naar Zuid-Amerika of Zuidoost-Azië gingen.
De kosten voor ziekenhuisopname en operaties liggen daar niet minder dan drie tot vijf keer lager dan in westerse landen, stelt Dijkstra. „Terwijl de kwaliteit van de behandeling hetzelfde is, soms zelfs hoger.” In het buitenland zijn de wachtlijsten bovendien kort of zelfs afwezig.
Als voorbeeld noemt hij Thailand. „Daar lieten zich in 2002 circa 650.000 buitenlanders behandelen; in 2005 waren dat er al bijna 1,3 miljoen.”
Helaas duidt Dijkstra deze aantallen niet, iets wat het vaktijdschrift Medisch Contact in een recent artikel wel deed: „Thailand registreert buitenlandse patiënten (...) zonder onderscheid te maken tussen de in Thailand wonende expat of gepensioneerde, de standaardtoerist die onverwacht medische hulp nodig heeft, of de daadwerkelijke medische toerist die speciaal voor behandeling naar Thailand komt. Naar schatting 20 tot 30 procent van de buitenlandse patiënten zijn echte medische toeristen.”
Zulke rijke westerlingen worden met open armen ontvangen, zo blijkt. De Thaise overheid becijferde dat medisch toerisme vorig jaar goed was voor 65 miljard baht (ruim 1,5 miljard euro) aan inkomsten. Singapore verdiende 940 miljoen Singaporese dollar (548 miljoen euro) aan buitenlandse patiënten, aldus Medisch Contact. Steeds meer Zuidoost-Aziatische landen proberen daarom medische toeristen binnen te halen: Thailand, Singapore, Maleisië, India, de Filipijnen, Zuid-Korea.
Volgens Dijkstra is het, gezien de flink lagere kosten, ook voor Nederlandse ziektekostenverzekeraars aantrekkelijk als hun patiënten naar het buitenland gaan voor behandeling. Zijn ervaring is echter dat die vooral afwijzend reageren, en liever in de ziekenhuizen in eigen land investeren.
Voor patiënten die naar het buitenland gaan voor behandeling, is het belangrijk om vóór vertrek goede afspraken te maken over de vergoeding van de kosten. Daar had de auteur eigenlijk meer aandacht aan moeten besteden dan de paar zinnen die hij er in het boek aan wijdt. Wat Dijkstra bovendien niet vermeldt, is dat de kosten alleen zijn gedekt wanneer het een reguliere ziekenhuisbehandeling betreft.
Als het gaat om cosmetische ingrepen, alternatieve geneeswijzen of experimentele behandelingen zoals stamceltherapie die Dijkstra aanprijst, zal de reiziger die volledig uit eigen zak moeten betalen.
Een belangrijk punt waar Dijksta wel de vinger bij legt, is dat een „herstelvakantie” niet wordt vergoed. „Na een ingreep in een gastland is het zinvol in het betreffende land te revalideren, liefst dicht bij de kliniek of het ziekenhuis waar u bent behandeld.” Bij complicaties kan iemand dan snel en adequaat worden geholpen.
Kort na een ingreep in het vliegtuig stappen is sowieso onverstandig vanwege het risico op trombose – het ontstaan van stolsels in de bloedvaten.
Al met al blijft de praktische informatie die Dijkstra aan de medische toerist geeft summier. Hij stipt tal van zaken aan, maar werkt die vervolgens nauwelijks uit.
Verder is het wat bevreemdend dat de auteur 22 pagina’s uitwijdt over zíjn visie op ziekte en gezondheid. Dat past niet bij het onderwerp van het boek. Bovendien blijkt hier duidelijk dat hij geen medische opleiding heeft genoten. Zo beweert hij bijvoorbeeld: „Wanneer men DNA uit een cel weghaalt, leeft deze gewoon door.”
Storend zijn verder de talloze type- en taalfouten in het boek. Een deel daarvan had al vermeden kunnen worden door het document na te lopen met de spellingscontrole.
Ethisch omstreden
Het tweede deel van het boek, dat de behandelmogelijkheden per land beschrijft, ziet eruit als een reisgids en noemt ook de belangrijkste attracties. Daarbij vermeldt de auteur niet alleen medische instellingen met een kwaliteitskeurmerk (JCI-geaccrediteerd), maar ook tal van adressen voor cosmetische chirurgie, experimentele stamcelbehandelingen en alternatieve therapieën als acupunctuur en Chinese geneeskruiden.
Daarbij schroomt hij niet om ethisch omstreden praktijken te vermelden, zoals geslachtsselectie bij een ivf-behandeling.
Wanneer hij schrijft over de mogelijkheid van orgaantransplantatie in China, plaatst hij weliswaar de kanttekening „dat men zich de herkomst van de organen moet afvragen in een land waar naar schatting jaarlijks zo’n 7500 mensen worden geëxecuteerd.” Bij dezelfde behandeling in India noemt hij echter alleen dat transplantaties daar „aanzienlijk betaalbaarder” zijn dan in westerse landen, terwijl bekend is dat in dit land mensen soms uit armoede een nier verkopen.
Ook ervaringsverhalen kregen een plaats in het boek. Deze zijn zonder uitzondering positief; een goede ondersteuning van Dijkstra’s pleidooi voor behandeling in het buitenland. De vraag rijst wel of dit de waarheid recht doet. Er zullen er onder de duizenden Nederlanders die in den vreemde op vakantie gaan of daar werken, toch ook zijn die daar bij een huisarts of in het ziekenhuis terechtkomen, en met minder jubelende verhalen thuiskomen?
”Flying Patients. Gids voor medisch toerisme”, Johan Dijkstra; uitg. Azimuthpress, Amsterdam, 2011; ISBN 978 90 817 7160 3; 396 blz.; € 24,95.